Raamstank

Wat ook stilletjes is verdwenen is de Grote Schoonmaak die vroeger omstreeks deze tijd zo'n beetje op zijn eind had gelopen. Vóór het Pasen was moest het voorbij zijn en Pasen is het gemiddeld gesproken rond 8 april, zo'n 18 dagen na 21 maart. De intense reiniging van huis en erf vlak voor het Paasfeest had ongetwijfeld oeroude, wie weet wel Germaanse wortels. (Het is niet per se noodzakelijk daarover informatie naar de AW-redactie te zenden.)

Het verdwijnen van de Grote Schoonmaak valt met enige goede wil in verband te brengen met de onverwachte aardgasvondst bij Slochteren in 1960. Voor die tijd werd er in Nederland nog heel veel lokaal verwarmd met behulp van een kolenkachel. Pas tegen de tijd dat die definitief uit ging (vaak op 1 april) had het zin al het stof en kolengruis dat sinds 1 oktober was verspreid weg te werken. Voor het kolenstoken gangbaar werd gold dat al net zo. Het schijnt dat in `Afke's tiental' wordt beschreven hoe Afke pas aan de grote schoonmaak begon als de potkachel was opgeborgen.

Men leidt er uit af dat de kachel vroeger al werd gedoofd voordat de zon en de buitenlucht het huis op de temperatuur konden brengen die er nu van wordt geëist: zo'n 22 graden minstens. Maar dat was niet erg, want wat toen `kamertemperatuur' heette was 18 graden Celsius. Je wist niet beter.

De grote schoonmaak strekte zich over vele dagen uit en werd volgens een strak schema afgewerkt. Van de kamer die aan de beurt was, werden de ramen wijd opengezet en daarna werd hij zo ver mogelijk leeggehaald. Wat er aan stoffering naar buiten kon, werd naar buiten gebracht, in de eerste plaats natuurlijk het beddengoed dat vroeger misschien ook wel wat eerder bedompt werd dan vandaag de dag. Kleden en matten gingen over de klopstok en werden grondig schoongeslagen. Niet voor tien uur 's ochtends, natuurlijk, want dat stond de gemeentelijke klopverordening niet toe. Het stof dat vroeg kloppen in de lucht bracht, bedreigde de hygiëne van de melkbezorging.

Ja, daar hoort de internetgeneratie van op: 1965 en een melkboer met losse melk aan de deur! Waar het hier vandaag om gaat is dat de groot schoongemaakte kamer op de avond van de dag van de schoonmaak ook werkelijk frisser rook. Vooral het beddengoed en dergelijke dat zo'n hele dag in zon en wind had gehangen, had in de vrije natuur een interessante geur opgedaan.

Dat dat geen inbeelding was kan nu nog zonder veel moeite worden aangetoond, want ook modern gewassen wasgoed verwerft in de buitenlucht een andere geur dan binnen. Doe eens een proef met twee identieke kledingstukken (of nog wetenschappelijker: proeflapjes), was ze in een zelfde sop en hang er daarna één binnen en één buiten te drogen. Directe zonnestraling hoeft er niet aan te pas te komen. Het verschil is een kleine dag later nog te ruiken, zelfs in een zogenoemde blinde of dubbelblinde test. Als je niet beter wist zou je zweren dat het een ozon-achtige verbinding is die zich buiten aan het textiel hecht.

Het aardige is dat bijna iedereen het effect kent, wil beamen dat er een verschil is, maar dat niemand een verklaring weet. Op internet komt men met de weinige zoektermen die zich aanbieden niet uit de voeten. De naslagwerken doen maar liever alsof kleding en beddengoed überhaupt geen geur hebben.

Toegepast geuronderzoek is in Nederland, afgezien van een enkele particuliere onderneming, verspreid aanwezig bij TNO in Delft, Apeldoorn en Zeist maar daar laat men zich de mond vol tanden slaan. Een enkeling weet te melden dat er bij familieleden juist een intense afkeer was van de geur die beddengoed in de buitenlucht opliep. Wat betreft de verklaring suggereert een technicus dat de geurstoffen uit het wasmiddel in de buitenlucht misschien `anders vrijkomen' dan binnen. Of zoiets.

Een klein beetje gênant is het wel. In de loop van de jaren is er al door een reeks van lezers aandacht gevraagd voor het fenomeen, maar in Nederland, het land van de moderne voedingsindustrie en de grootschalige productie van geur- en smaakstoffen is enig fundamenteel geuronderzoek nooit van de grond gekomen.

Een ander aspect van het schoonmaakeffect is wel begrijpelijk te krijgen. Een interessant gegeven is dat veel kamers al merkbaar in geur vooruit gaan als men daar aan het eind van de winter eens goed de ramen zeemt, aan de binnenzijde wel te verstaan. Vooral in de winter zijn de ramen vaak de koudste oppervlakken van een vertrek en daarom slaan veel fijne olie- en vetdruppeltjes, afkomstig van bakken, braden en sigaren roken, voornamelijk op het glas neer. Op zichzelf verspreiden die al geen opwekkende geur, het is meer dan aannemelijk dat ze na hun ontstaan nog eens extra geuren en geurtjes gaan opnemen: veel geurstoffen lossen buitengewoon gretig op in vetachtige substanties. Ruik eens aan de altijd wat vettige hoorn van de kantoortelefoon waarmee net een moderne, jonge en dus flink ingeparfumeerde vrouw heeft zitten bellen. De meeste ramen stinken, daar komt het op neer. Veeg het vet eraf met wat watten of wc-papier en neem de proef op de som.

Weer is er een technicus die het stinken van ramen vooral toeschrijft aan geleidelijke `desorbtie' van de oorspronkelijke in braadvet of sigaar aanwezige geurstoffen. Maar van AW-wege wordt aangenomen dat de omgekeerde weg toch domineert. Dat wordt nog het overtuigendst aannemelijk gemaakt onder verwijzing naar de techiek van `cold enfleurage'. Lang geleden werden de delicate geurstoffen van de bloemen van de roos en de jasmijn voor de parfumindustrie verzameld door de bloemblaadjes op glasplaten te leggen die vooraf waren ingesmeerd met dierlijk vet: reuzel of rundvet. De geurstoffen hoopten zich zo goed op in het rundvet dat het economisch gezien de moeite loonde ze er met alcohol weer uit op te lossen. Een poëtische gedachte: het hele gezin als rozenblaadjes tussen de met vet beslagen ramen.