Ook bedrijven moeten onkreukbaar zijn

Bij alle opwinding over de affaire-Peper bestaat het gevaar dat de financiële mores in het bedrijfsleven onderbelicht blijven. Terwijl daar jaarlijks miljarden guldens verborgen blijven, die op niet-integer handelen wijzen, meent Arjen van Witteloostuijn.

Analyses over de affaire-Peper en beschouwingen over integer besturen in het publieke domein volgden elkaar de afgelopen maanden in rap tempo op. De boodschap was helder: de publieke bestuurder moet onkreukbaar zijn omdat bij gebrek aan integriteit het vertrouwen in de overheid en de democratie wordt ondergraven. Vooral private verrijking via het doorsluizen van publieke middelen naar privé-rekeningen is uit den boze.

Zelfs de schijn van niet-integer handelen moet worden vermeden. In deze context doet de precieze omvang van de zelfverrijking niet terzake. Elke duizend gulden die onrechtmatig is gedeclareerd door deze of gene ambtenaar, burgemeester, minister of wethouder, is een signaal van kreukbaarheid te veel. Vanwege de voorbeeldfunctie van de ambtelijke en politieke top moet het gedrag van de publieke gezagsdrager onbesproken zijn.

Met deze discussie wordt het publieke domein echter exclusief in de verdachtenbank geplaatst. Deze eenzijdige aandacht voor publiek wangedrag versterkt het collectieve beeld dat in deze tijden van Nieuwe Economie de overheid het probleem is en het bedrijfsleven de oplossing. Echter, achter de onzichtbare muur van privacybescherming blijven jaarlijks miljarden guldens verborgen die gemoeid zijn met `niet-integer' handelen in het bedrijfsleven. Omdat dader noch slachtoffer baat heeft bij publiciteit, bereiken private fraudezaken zelden of nooit het daglicht. De strenge normen van democratie en integriteit worden – terecht – toegepast op publiek handelen, maar blijven – ten onrechte – veelal buiten beeld in de private arena. Sterker, legale vormen van autocratie en zelfverrijking mogen zich in het moderne bedrijfsleven in een ongekende, en toenemende, populariteit verheugen.

De ene salarisverhoging voor het topmanagement volgt op de andere riante optieregeling voor de `regerende' bedrijfselite. Na de pro-forma raadpleging van de werkvloer wordt de ene na de andere saneringsoperatie autocratisch afgekondigd in een Nederlands grootbedrijf. Afgezien van een mokkende premier Wim Kok, een briezende SP-fractievoorzitter Jan Marijnissen of een sputterende vakbondbestuurder kraait er geen haan naar dit gebrek aan democratie en matigheid in de private sector. Onder het mom van de heiligverklaring van marktwerking wordt het versnelde proces van autocratisering en denivellering stilzwijgend geaccepteerd danwel vreugdevol aangemoedigd als een onvermijdelijk of zonnig teken aan de wand van het geliberaliseerde polderwonder.

Zelfs afgezien van normatieve uitspraken over de onwenselijkheid van denivellering op macroniveau, het grotendeels vergeten stokpaard van de sociaal-democratie, moet geconcludeerd worden dat in het bedrijfsleven geen andere normen van onkreukbaarheid mogen worden aangelegd. Van saneringen op de werkvloer en zelfverrijking aan de bedrijfstop kan immers veel worden gezegd, maar niet dat zij een positieve bijdrage leveren aan de kwaliteit en kwantiteit van de investeringen in het personeel. Over de negatieve consequenties hiervan laten de bevindingen van een wassende stroom onderzoeken geen misverstand bestaan. Een overtuigende samenvatting daarvan is te vinden in het boek The Human Equation: building profits by putting people first van de Stanford-hoogleraar Jeffrey Pfeffer. De langetermijnprestaties van ondernemingen die in hun personeel investeren, liggen beduidend hoger dan dezelfde prestaties bij bedrijven die hun personeel vooral als een kostenpost behandelen. In plaats van het koesteren van een kostengericht beleid van lage lonen, flexibele contracten, tijdelijke banen, hiërarchische verhoudingen en salarisongelijkheden, zouden ondernemingen moeten kiezen voor een investeringsstrategie van hoge lonen, vaste contracten, duurzame loopbaanpaden, werknemersmedezeggenschap en salariscompressie.

In 1995 publiceerde Mark Huselid een artikel in het Academy of Management Journal waarin deze aanbevelingen van empirisch bewijs worden voorzien via de meting bij bijna duizend Amerikaanse ondernemingen van een reeks prestatieverbeteringen die het moderne aandeelhouderswaardemanagement zouden moeten aanspreken: een standaarddeviatiestijging in het gebruik van maatregelen waarmee in het personeel wordt geïnvesteerd, gaat per werknemer gepaard met een toeneming van de omzet met ruim 27.000 dollar, een marktwaardewinst van bijna 17.000 dollar en een stijging van de bedrijfswinst met ongeveer 4.000 dollar. Daar kan een saneerprogramma of acquisitiestrategie slechts zelden tegenop. Het koesteren van het personeel legt individuele ondernemingen zeker geen windeieren.

Een andere illustratie is de recente bevinding van de Britse tak van ABN Amro. Deze tak heeft een zogenoemde `ABNAmro's UK Employee Ownership Index' samengesteld van 21 in Londen genoteerde ondernemingen die een beleid van substantiële werknemersparticipatie voeren. De stijging van deze index in de afgelopen vijf jaar lag ongeveer 80 procent boven die van de gangbare Londense beursindices. Helaas beschrijven Jeffrey Pfeffer, Mark Huselid en de Britse ABN Amro zwarte zwanen. De ene na de andere onderneming bekeert zich immers tot het geloof in het ultieme richtsnoer van het moderne bedrijfsleven: de dominante oriëntatie op het scheppen van aandeelhouderswaarde. Deze Angelsaksische managementhype is inmiddels doorgedrongen tot alle poriën van het Nederlandse grootbedrijf. Een recent voorbeeld van de gevolgen van deze aandeelhouderverslaving is de aankondiging van Unilever dat 25.000 banen moeten worden geschrapt omdat zes miljard winst onvoldoende is. De eindeloze reeks voorbeelden van deze vorm van hardvochtig management vormt slechts één kant van de medaille – de autocratische verwaarlozing van de werkvloer.

De andere kant van dezelfde medaille gaat gepaard met een enorme zelfverrijking van de bedrijfstop. Een spraakmakend voorbeeld daarvan is de recente opwinding over de aandelenverkoop door directeur-oprichter Nina Brink vlak voor de beursgang van World Online. Recentelijk is gebleken dat Nina Brink, niettegenstaande openlijke ontkenningen in de dagen vóór de happening en een zalvende verklaring enkele weken na de beursval, enkele maanden voor de roemruchte datum van 17 maart voor honderden miljoenen aan aandelen heeft verzilverd via de omweg van haar participatie in het Amerikaanse durfkapitaalfonds BayStar Capital.

Inmiddels heeft de raad van commissarissen maatregelen aangekondigd: Nina Brink moet zich buiten de publiciteit op andere wijze nuttig maken ten dienste van een zonnige toekomst van World Online. Daarnaast heeft de Vereniging van Effecten Bezitters (VEB) verzocht om een diepgaand onderzoek naar de beursgang van World Online, en bezint het AEX-bestuur zich op aanscherping van de regelgeving. Hoe zouden de werknemers die vorige week via een publieke actie hun steun hebben betuigd aan Nina Brink, reageren op dit fraaie staaltje van niet-integer gedrag van hun topbestuurder? Aan de `voorbeeldfunctie' van Nina Brink kan Bram Peper trouwens nog een puntje zuigen.

Deze en andere voorbeelden maken duidelijk dat de huidige fixatie op de noodzakelijke integriteit van de publieke gezagsdrager eenzijdig is.

Dezelfde normen van onkreukbaarheid zouden moeten gelden in het bedrijfsleven. De huidige – ogenschijnlijk onstuitbare – opmars van de bijverschijnselen van een mondiaal aandeelhouderskapitalisme, waarin financiële (beurs)belangen de boventoon voeren, vraagt daarom juist om een verschuiving van de aandacht in de richting van de integriteit van handelen in het bedrijfsleven. Hier ligt een fraaie taak voor de (private en publieke) controle-organen, de wetgevende macht en de financieel-economische journalistiek. Zoals de publieke gezagsdrager het vertrouwen moet winnen èn behouden van ambtenaar en burger, moet de private topbestuurder de loyaliteit verdienen èn vasthouden van werknemer en aandeelhouder.

Daarvoor is het nodig de verschillen in beloning binnen de perken te houden, het personeel op voet van gelijkwaardigheid te bejegenen en onberispelijk voorbeeldgedrag te vertonen. De publieke gezagsdrager moet niet het keizergedrag van de private topbestuurder imiteren, maar de bedrijfselitemoet zich spiegelen aan de democratische mores in het publieke domein.

Matigheid en soberheid, van oud-calvinistische snit, zouden ook de private bedrijfselite sieren – ter meerdere eer en glorie van het eigen bedrijf en de reputatie van het gehele bedrijfsleven.

Arjen van Witteloostuijn is hoogleraar economie aan de Rijksuniversiteit Groningen.

    • Arjen van Witteloostuijn