Onvoltooid verleden

Erelid: hoger kunnen wij, mensen, niet komen. Het is de adel voor sociaal-democraten en burgers van gelijke komaf. Ereleden zullen nooit anoniem sterven. Hun naam wordt herinnerd in jaarlijkse toespraken, in een koperen plaatje aan de muur, in een bronzen silhouet of in een heus standbeeld. Sommigen worden zelfs in beton gegoten, zoniet als drager van een stadion dan wel van een tribune.

Het erelid mag juist geen orakel willen zijn. Dat misverstand is door Henk Vonhoff in het leven geroepen, die zich als beroepserelid altijd heeft misdragen. Vonhoff ronkte en bonkte, lachte en schaterde tegen de wind in. Het echte erelid is er altijd, maar je hoort en ziet hem niet. Hij is de schaduw van alle schaduwen. Niemand kent zijn stem. Een extreem beschaafde secretaresse spreekt voor hem, fluistert nee voor hem.

Het erelid heeft vriend noch vijand. Hij zal nooit iemand bij naam noemen – het plebs heeft geen naam. Het is onbereikbaar voor rumoer en lawaai. De va et vient van het leven laat hem onberoerd. Eigenlijk is hij een infrawezen, zonder rancune en verdriet, zonder hoop en bijgeloof. Allicht zal ook hij een enkele keer worden bezeerd door de onuitsprekelijke droevigheid van een opgekruld hoopje kleren op een verwaaid plein, maar tot een lamento komt het niet. Klagen en zagen is alweer voor het plebs.

Natuurlijk is het erelid vrij van agressie. Ook van verbaal geweld. Het besef dat alles wat achtergelaten wordt – traditie, zeden en gewoonten, intimiteit, tijdgeest – aangeraakt is door een vorm van geweld kan niet leiden tot enige represaille. Als erelid was het hem al lang duidelijk dat de wapens om het noodlot te bestrijden altijd voortijdig uit de handel worden genomen. Het erelid lijdt in de stilte van zijn gelijk en van zijn nostalgie.

Johan Cruijff is erelid af.

De Verlosser staat nog te dicht bij Ajax om erelid te zijn. Pluche voelt anders dan gras, en Cruijff mag dan wel afscheid hebben genomen van de dug-out, zijn geur- en kleursmaak hebben hem niet verlaten. Hij blijft maar rond de Arena cirkelen, als een hemellichaam met een te lange staart dat niet zonder de sensatie van de aanraking kan. Cruijff zal wellicht tot zijn laatste snik de buikspreker van de vijfde colonne zijn – het is zijn goedaardige variant van populisme. Ajax is zijn lichaam, hijzelf is de geest.

Het heeft iets tragisch, Cruijff en Ajax die rollebollend over straat gaan. En iets lafs. Michael van Praag was natuurlijk de eerste om met een gebaar van verzoening uit te pakken. Hoezo oorlog met Cruijff? Hij had net een prima telefonisch gesprek gevoerd met Johan. Zijn adviezen zullen door Ajax ook in de toekomst ter harte worden genomen. Voor Van Praag blijft het leven rimpelloos. Wat zeg ik, een musical in bed, in bad, in de hemel en de hel. Al zingend mag je liegen.

Zal er ooit een dag komen dat Johan Cruijff zijn verleden heeft voltooid? Ik denk het niet, en dus is het probleem Cruijff onoplosbaar. Het gaat hem eigenlijk niet om Van Gaal, Adriaanse, Westerhof en andere hansworsten, het gaat hem om de herinnering aan zijn eigen brille die hij niet wil/kan loslaten. Johan leeft in het verleden en niemand kan hem helpen de sprong naar een mindere eeuw dan de zijne te maken.

Natuurlijk is het een belediging om Frank Kales te positioneren als gesprekspartner van de oud-Ajacied. Kales heeft alles wat Cruijff veracht: praatjes zonder noppen, humor zonder snelheid, honger zonder timing. Piet Keizer in het bestuur zou daarom ook voor mindere goden dan Cruijff een verademing zijn. Dan mag het weer eens over voetbal gaan, over tactiek en techniek, over balcirculatie. En misschien wel over de treurigheid van de spreekkoren.

De loopjongens van Johan Cruijff spraken elkaar tegen. Volgens de ene wilde Cruijff zijn vriendjes Rijkaard en Krol in het trainersplunje van Ajax zien, de andere hield vol dat het Cruijff nooit om namen en altijd om principes gaat. Cruijff zelf deed er het zwijgen toe. Nou ja, een erelid mag niet liegen.

Het ontroerendst was Cruijff in zijn kritiek over de teloorgang van het wij-gevoel bij Ajax. Het wij-gevoel? Sinds wanneer denkt Johan in het meervoud?