`Mijn enige grenzen zijn mijn visie en mijn kennis'

Deze week moest hij de beursgang van zijn bedrijf Newconomy uitstellen. Maar Maurice de Hond heeft nog steeds het gevoel te zweven. Hij gelóóft in de nieuwe economie. En hij ergert zich aan mensen die niet begrijpen dat er een revolutie aan de gang is. `Ik dacht: hoe word ik het gelukkigst.'

Toen mijn vader tachtig werd, heb ik hem laten interviewen over zijn leven door Sonja Barend. Elma Verhey van Vrij Nederland was daar ook bij en die beschreef toen mijn vaders gedrag in de oorlog op een manier waarvan ik dacht: dit herken ik. Ik lijk dus toch op hem. Mijn vader is een man van de ad hoc situatie: kansen zien, reageren, doen. Intuïtief. Anticiperend. Hoorde hij dat er een moeder met haar kind gevangen werd gehouden door de SD in de Euterpestraat, dan ging hij naar de melkboer in de Beethovenstraat, leende zijn bakfiets en smokkelde haar met haar kind in de melkbussen naar buiten. Na een razzia fietste hij een keer naar de Polderweg, waar de treinen naar Westerbork vertrokken, en zei tegen twintig, dertig mensen daar: verberg je in de Rode Kruistent, ik zorg dat je er uit komt. Daarna fietste hij met een paar flessen whisky naar de Hollandsche Schouwburg en zei tegen de Duitse soldaten die niet de verschrikkelijkste waren dat er een opdracht van Aus der Fünten was om deze mensen terug te laten gaan. En toen konden die mensen weer naar huis. Mijn moeder kent dat verhaal, want zij was één van hen. Ze was toen nog getrouwd met de broer van mijn vader.

,,Op een dag begon het toch in de gaten te lopen wat mijn vader deed. Die affaire in de Euterpestraat werd ontdekt, hij dook onder, maar hij werd verraden en zo is hij in februari 1944 alsnog op transport gesteld. Zijn vrouw werd bij aankomst meteen vergast, op zijn verjaardag. Mijn moeder was een paar maanden eerder al gevangen genomen, zij zat in het experimenteerblok van Mengele. Een arts die ook gevangene was, moest haar onvruchtbaar maken. Toen de operatie voorbij was, zei hij tegen haar: ik heb het zo gedaan dat het te herstellen valt. Als je hier uit komt, moet je naar een gynaecoloog gaan. Dat heeft ze gedaan en toen heeft ze één kind gekregen, in 1947, en dat ben ik.

,,Ik ben trots op mijn ouders, natuurlijk. Als ik zie hoe ze na de oorlog zijn doorgegaan en hoe ze nu leven – mijn vader is 86, hij is suikerziek, hij kan niet meer lopen, hij is doof, maar je zult hem nooit horen klagen. Hij volgt het nieuws, hij is in alles geïnteresseerd. Mijn moeder, zij is 84, heeft een paar maanden geleden nog leren internetten. Ze kijken in de toekomst, mijn ouders. Ze zijn positief, optimistisch. Ze hebben allebei het karakter van een overlever. En dat heb ik ook, denk ik. En ik denk dat het eerder in het DNA zit dan de opvoeding. Overleven in een concentratiekamp is natuurlijk deels geluk hebben. Niet ziek worden. Toevallig in de juiste rij staan als er ieder kwartier tien mannen worden opgehangen totdat de ontsnapte gevangenen zijn teruggevonden. Maar overleven is ook: willen, kunnen. En dat zit in je DNA.

,,Mijn ouders hebben me nooit het gevoel gegeven dat ik een taak had in het leven, dat ik iets voor hen moest goedmaken. Ik heb ook nooit het gevoel gehad dat ik de kenmerken van de tweede generatie had – totdat ik een boek las van een Amerikaanse psycholoog waar ik mezelf voor negentig procent in beschreven zag: de maximale inspanning die ik altijd heb geleverd om hen te beschermen tegen pijn. Toen ik hoorde dat mijn vrouw dood zou gaan, mijn eerste vrouw, toen was het eerste dat ik dacht: wat erg voor mijn ouders. Ik zeg het wat extreem, maar zo was het. Mijn eerste vrouw is op de dag dat ik drieëndertig werd overleden aan borstkanker. Zij was dertig, de kinderen waren drie en één. Op dat moment had ik het geluk dat we een au pair hadden. Daarnaast ben ik vrij snel opnieuw getrouwd – mijn tweede vrouw, van wie ik inmiddels gescheiden ben, wordt door mijn kinderen beschouwd als hun moeder.''

Na de brugklas, op het Joods Lyceum Maimonides, werd me geadviseerd om naar het gymnasium te gaan. Ik heb het niet gedaan, ik heb gekozen voor HBS-B. Met mijn zoon ging het ook zo. Hij kon ook naar het gymnasium. Ik heb het hem zwaar afgeraden. Ik vond de kinderen die naar het gymnasium gingen toen gewoon niet zo leuk als de anderen. Ze waren van hogere afkomst, ze hadden prestige. Ik hou daar niet van. Ik kan er nog steeds niet tegen als mensen uitstralen dat ze zich meer voelen dan een ander. Mijn vader is op zijn elfde van school gegaan om zijn ouders te helpen in hun kraam op het Waterlooplein. Hij is er nog steeds trots op dat hij een bekeuring kreeg omdat hij een te zware kar over de Blauwbrug had getrokken. Mijn moeder werd op haar twaalfde naaister.

,,We hadden in 1954 al een televisie om naar sport en naar het Journaal te kunnen kijken. Die liefde voor nieuws heb ik ook van mijn vader. Ik ben nog steeds geabonneerd op drie kranten, op Newsweek en op Businessweek, en in het weekend zie ik alle opiniebladen. Als ik naar Amerika vlieg, koop ik wel voor tweehonderd gulden tijdschriften.

,,Toen ik van school af kwam, had ik geen idee wat ik wilde doen. Ik was een duidelijke B, maar wis- en natuurkunde trok me niet, politicologie vond ik te modieus, en economie viel ook af, daar gingen de gymnasiasten naar toe. Ik deed een beroepentest en daaruit bleek dat ik alles wel kon. Het is sociale geografie geworden omdat ik daar niets op tegen had. Negentig procent van de studenten daar was A, maar in mijn eerste jaar begon dat vak onder invloed van Amerikaanse ontwikkelingen op te schuiven naar B. Het werd een vak van meten. ,,Dat was mijn grote geluk, want toen bleek dat ik erg goed was in statistiek.

,,Mijn grens ligt daar waar mijn gevoel voor rechtvaardigheid wordt aangetast. Dan hebben mensen aan mij een kwaaie. Ik kan daar een voorbeeld van geven uit mijn studietijd dat meteen ook laat zien hoe groot het improvisatietalent van mijn vader is. Aan het eind van mijn eerste jaar moest ik gekeurd worden voor militaire dienst. Het was de tijd dat iedereen probeerde om afgekeurd te worden door heel abnormaal te doen. Ik wilde ook worden afgekeurd, maar ik had er geen zin in om me raar te gedragen. Ik deed serieus mee aan de testen. Om elf uur, half twaalf staan we in de rij voor een van de artsen en naast me staat een jongen te blazen in zo'n bloedbuisje – dat hadden we 's morgens vroeg al gekregen. Komt er een man langs met een map onder zijn arm en die schreewt: hé stommeling, hou daar mee op, als je zo blijft blazen, verander je je resusfactor. Daar kan ik dus niet tegen. Ik vond dat zo'n onzin. Dus ik zeg: goh, meneer, waarom schreeuwt u zo? Het is vast niet waar wat u zegt. Dit was het begin van het pandemonium. Die man kijkt naar mij, kijkt in zijn map, kijkt weer naar mij en zegt: nou moet jij je grote mond houden, anders gebeurt er met jou wat er met jullie in 1940-1945 gebeurde.

,,Zo'n flagrante antisemitische streek had ik nog nooit meegemaakt. Die ochtend, het was woensdag, heeft de commandant me nog weten te sussen. Maar op vrijdag moest ik naar de neuroloog, omdat ik had opgegeven dat ik hoogtevrees had – wat ook wel zo is. Maar 's morgens moest ik eerst bellen omdat de keer ervoor mijn jas was verwisseld. Ik word drie keer doorverbonden en uiteindelijk krijg ik een man aan de lijn die meteen begint te schreeuwen. Ik denk: dat is dezelfde antisemiet. Ik ga weer over mijn toeren naar de kazerne, de kamer van de commandant in. Die roept die man erbij, die het niet was, ik loop daarna door de gang terug en daar zie ik opeens mijn vader met achter zich aan acht militairen. Ik was verbijsterd. Mijn vader rent naar me toe, pakt me beet en zegt: Er is toch niks gebeurd hè?

,,Bleek dat hij, gewaarschuwd door mijn moeder, onmiddellijk met een taxi naar de kazerne was gegaan en daar had gezegd dat ik in overspannen staat het huis had verlaten. En als hij een geweer in zijn handen krijgt – ik sta niet voor hem in.

,,Het was spel. Mijn vader dacht: dit is mijn kans om te zorgen dat mijn zoon wordt afgekeurd. En dat is ook gebeurd.''

In mijn eerste studiejaar zag ik in Folia Civitatis een advertentie staan waarin studenten werd aangeboden om in de kerstvakantie te leren programmeren op een computer. Dat was in 1965. Ik wist niet eens wat dat was, programmeren op een computer. Maar ik had weinig te doen, dus ik dacht: waarom niet? Vanaf het eerste begin merkte ik: dit sluit precies aan op hoe mijn geest werkt. Logisch denken. Eerst dit, dan dat. En ook andersom: als een programma niet doet wat je verwacht, waar zit dan de fout? Mensen die mij kennen, zeggen dat ik ook goed vooruit kan denken. Ik kan goed anticiperen op wat komen gaat, gewoon door logisch redeneren.

,,Vanaf 1965 heb ik altijd met computers gewerkt. Dat maakte me zeldzaam in de wereld waarin ik opereerde, ook in het bedrijfsleven. Tot twee, drie jaar geleden waren de mensen uit de top van het Nederlandse bedrijfsleven er nog trots op dat ze nooit een computer aanraakten.

,,Ik weet dat in het bedrijfsleven van mij wordt gezegd dat ik een man van ideeën ben, maar geen man om een organisatie te leiden. Het is niet waar. Ze kennen me niet. Je hoeft niet alles zelf te kunnen, als je maar de goede mensen om je heen verzamelt. In 1980 ben ik bij Inter/View gaan werken, we zaten daar met zeven mensen die elkaar perfect aanvulden. Van Lex Cohen, de directeur van de Gouden Gids waar ik in 1901 ben gaan werken, zul je over mij alleen maar positieve verhalen horen. Kijk, ik zou wel gek zijn als ik mijn tijd ging besteden aan lease-auto's of dat soort dingen. Dus dat doe ik niet. Maar dat betekent niet dat ik geen organisatie kan aanvoeren! Mijn probleem is alleen, en daardoor komen dat soort verhalen in de wereld, dat ik ook in situaties heb verkeerd waarin ik mijn ideeën niet optimaal kon uitvoeren. Bij Inter/View waren de randvoorwaarden goed. Bij de Gouden Gids ook. Lex Cohen geloofde in mij. En bij Newconomy zijn de randvoorwaarden ook goed. Maar bij Wegener, waar ik in 1995 ging werken, niet nee. Of maar ten dele. Jaap Appeldoorn en Jan Houwert geloofden in me. Jan Houwert zei het laatst nog in Adformatie: het concept voor City OnLine, de regionale Internet-portals die ik in 1996 voor Wegener ontwikkelde, was een gouden concept. Maar toen het werd uitgewerkt en het in de lagere echelons terecht kwam, toen liep het vast. Mensen snapten niet wat ik wilde. Of mensen hadden er geen belang bij om het te snappen. Op de krantenredacties zeiden ze: als we hieraan gaan beginnen, raken we allemaal onze baan kwijt. En dan schrijven journalisten vervolgens dat ik bij Wegener mislukt ben! Ja, daar word ik kwaad van. Het is zo gemakkelijk. Als mensen niet willen, wat moet je dan? Mijn tekortkoming is misschien dat het mij niet lukt om mensen te overtuigen als ze niet willen. Ik ben niet hiërarchisch, ik wil niet de baas zijn over mensen. Ik hou niet van het conflict. Ik ben een gelijke onder gelijken. Zo was ik vroeger al als scheidsrechter. Je hebt het type van de politieagent. En je hebt het type van de scheidsrechter die náást de voetballers staat.''

In februari 1995 liet een collega bij de Gouden Gids mij zien hoe hij met zijn computer op Internet was gekomen. Hij liet zien hoe hij via zijn browser, die heette toen nog Mozaïek, informatie had opgezocht. Ik had al over Internet gelezen in Businessweek, in Amerika was het er allemaal al. En nu zag ik hoe het werkte. Ik dacht: dit is precies wat de informatietechnologie altijd heeft beloofd en tot nu toe nooit heeft waargemaakt. Dit is zo krachtig. Ik heb er datzelfde jaar nog een boek over geschreven. Ik stuurde het aan alle leden van het kabinet en van de Eerste en de Tweede Kamer. Het eerste exemplaar is uitgereikt aan Wim Kok. Als ik hem over Internet hoor praten, geloof ik dat hij het afgelopen zomer pas gelezen heeft.

,,Vanaf het eerste begin had ik het gevoel: dit wordt een revolutie. Het was gewoon een kwestie van doorredeneren. En ik wilde dat iedereen dat wist ja, zodat we ons erop konden voorbereiden. Als ik in een wintersportgebied loop en ik zie een lawine ontstaan, dan ren ik toch ook naar het dorp om te waarschuwen? Van 1995 tot en met 1998 heeft heel Nederland ontkend dat er iets aan de hand was. Mensen luisterden beleefd naar me, maar ze geloofden me niet. In 1996 benoemde Hans Wijers een commissie die Visie op Versnellen heette. Daarin moesten ondernemers over nieuwe technologieën gaan praten. En wie werd de voorzitter? Scherpenhuijsen Rom. Die zei in 1996 nog dat Internet iets was voor rijkelooszoontjes, om mee te spelen in de tijd van de baas.

,,De omslag, de take off, in Nederland is gekomen in september 1999. Dat was het moment waarop er voldoende kritische massa was bereikt. Ik zie drie oorzaken. Eén: Internet werd gratis. Twee: ondernemingen begonnen in hun halfjaarbericht opeens allemaal over hun Internet-strategie omdat ze ook wel begrepen dat je blind moest zijn om niet te zien wat er in Amerika gebeurde. En drie: Wim Kok had die zomer eindelijk een computercursus gevolgd. Maar ik erger me als ik zie hoe weinig er nog van begrepen wordt. Ik erger me omdat degenen die verantwoordelijk zijn voor de continuïteit van dit land – politici, mensen aan de top van ondernemingen – zelf geen last zullen hebben van de consequenties van hun onbegrip. De reder van zeilboten die niet zag dat er stoomboten kwamen, bleef zelfs heus wel rijk en bevoorrecht. Maar zijn werknemers raakten hun baan kwijt. Ik erger me eraan dat kinderen op school worden opgeleid voor de vorige eeuw. Leraren klagen dat kinderen zich op school geen twee minuten meer kunnen concentreren. Hebben ze weleens gezien hoe lang kinderen zich kunnen concentreren op hun gameboy? Ik erger me aan de zelfgenoegzaamheid van ondernemers die zeggen: onze cijfers worden alleen maar beter, wat zeur je nou? Ze merken niet dat dit tijdelijk is, conjunctureel. Ze zien niet dat de verandering structureel is. Amazon.com heeft in Amerika nu twee procent van de markt voor boeken. Dat betekent dat de oude structuur van boekwinkels nu nog intact is. Over een paar jaar hebben Amazon.com en de andere boekhandelaars op Internet twintig procent – ook in Nederland. En dan gaat die oude structuur verdwijnen. De goede boekwinkels híer gaan kapot en de omzet verdwijnt naar de VS.''

Na Wegener dacht ik: hoe word ik het gelukkigst? Ik wilde niet langer gehinderd worden door mensen die me niet geloven. Ik ga alleen nog werken met mensen die me wél geloven. Ik zag hoe in Amerika CMGI een netwerk had gemaakt van Internet-bedrijven en hoe dat sinds het naar de beurs is gegaan duizend keer in waarde is gestegen. Ik zag hoe Internet-bedrijven die geld nodig hadden in Nederland werden uitgelachen door de banken. Internet-bedrijven ontmoetten een paar jaar geleden alleen nog maar cynisme. Ik dacht: misschien kan ik door mijn krediet en mijn relaties wat voor die bedrijven gaan betekenen. Het was zomer 1998 en ik wist: we hebben nog ongeveer achttien maanden voordat in Nederland gaat gebeuren wat in Amerika allang gebeurt. Ik heb samen met mijn partners geldschieters gevonden, we hebben vijfentwintig bedrijven bij elkaar gebracht en sinds de start in 1999 heb ik het gevoel dat ik zweef. Ik bedoel: mijn enige grenzen zijn mijn eigen visie en mijn eigen kennis. Nooit meer mensen die zeggen: ach, waarom zouden we het anders doen, we hebben het altijd zo gedaan. Of die ja zeggen en nee doen.

,,Nee, wij zijn geen gewone venture capitalist. Een venture capitalist brengt een bedrijf tot waarde en wil dan een exit. Die wil kunnen cashen. Wij willen onze belangen in de bedrijven waarin we geloven eerder uitbreiden. We willen ze helpen met goed management. Ik weet zeker dat er tussen die vijfentwintig die we nu hebben een paar zitten die over een jaar of vijf bij de top horen van het Nederlandse bedrijfsleven.

,,Vanaf het begin heb ik gezegd dat we in 2000 met Newconomy naar de beurs zouden gaan. Niet om onze aandelen door te plaatsen, maar om nieuw geld aan te trekken, zodat we kunnen groeien en kunnen concurreren met bedrijven in het buitenland die al een beursnotering hebben. De beslissing om de beursgang uit te stellen hebben we dinsdagavond hier in deze kamer genomen. Daar zaten onze adviseurs van SpringFinance, daar de bankiers van ABN Amro, daar het managementteam van Newconomy. Nee, het was geen beslissing van de bankiers. We zeiden allemaal: kijk naar de Nasdaq, kijk naar de onrust op de financiële markten. We zeiden: als we nu de start van de inschrijving uitstellen, dan is dat nog volledig uit te leggen. De markt is te zenuwachtig. Maar als we de inschrijving wel starten en we moeten over een paar dagen stoppen, dan is de schade veel groter. Dan lijkt het alsof er geen belangstelling is voor onze aandelen. En dat zou fnuikend zijn.

,,We hebben besloten om één, twee weken te wachten. Natuurlijk is het een teleurstelling. Als het was doorgegaan, hadden we vandaag een roadshow gedaan in New York. Natuurlijk is het bitter dat de markt zo zenwuachtig is door World Online. De eerste spraakmakende beursgang van een Nederlands Internet-bedrijf loopt uit op een fiasco. Dat is slecht voor Nederland en het brengt de nieuwe economie in diskrediet. Daar baal ik ongelooflijk van. Maar het voordeel is dat wij nu kunnen laten zien dat wij geen World Online zijn.

,,World Online heeft keihard gezondigd tegen de basisregels van de nieuwe economie. Ten eerste hebben de bestaande aandeelhouders een deel van hun aandelen doorgeplaatst. Dat betekent dat ze niet in hun bedrijf geloven. Ten tweede hebben ze ingezet op een veel te hoge prijs, waardoor de kans dat het aandeel nog gaat stijgen nihil is. Maar waar ik me het meest aan erger is zo'n Nina Brink die voor de beursgang in het Financieele Dagblad al zegt: knappe man die erachter komt hoeveel aandelen ik zelf verkoop, dat zit allemaal verborgen achter bv's. En dat niemand daar dan op in gaat. Daar word ik heel kwaad van.''

    • Jannetje Koelewijn