Mate van risico

`Beleg je ook al, of ben je nog een brave spaarder?' In de laatste vijf, zes jaar dat beleggen in aandelen zo populair is geworden, moeten duizenden mensen deze vraag aan elkaar gesteld hebben. Niks vreemds aan, en toch is de vraag onlogisch. Want hij veronderstelt dat sparen niet een vorm van beleggen zou zijn. En dat is het natuurlijk wel.

Alle beleggingsvormen hebben als doel een financiële reserve zo te investeren dat hij rendement kan opleveren in de vorm van koerswinst, of rente c.q. dividend. Het onderscheid zit altijd in de mate van risico die over het belegde bedrag – de hoofdsom – wordt gelopen, en het verwachte rendement.

Beleggen in een spaarrekening geeft de hoogste mate van zekerheid (voorspelbaarheid) over de toekomstige ontwikkeling van de nominale waarde. De nominale waarde is de waarde uitgedrukt in aantallen guldens. Daartegenover staat de reële waarde. Dat is de waarde in termen van koopkracht. Dit is een belangrijk verschil.

Wie vijf jaar geleden een ton op een spaarrekening zette die vier procent rente gaf, heeft nu ongeveer honderdentwintigduizend gulden. Als het gaat om, zeg, volkorenbroden, dan bleef de reële waarde praktisch gelijk. Maar als die ton bedoeld was om er te zijner tijd een huis mee te kopen, dan is de reële koopkracht achteruitgegaan. Aanvankelijk was het kapitaal goed voor de helft van een doorsnee huis; nu nog maar voor eenderde. `Sparen' in de vorm van aandelen was achteraf veel wijzer geweest.

Het lijkt of de uitzonderlijk hoge rendementen die aandelen de laatste jaren hebben laten zien, sparen tot een inferieure vorm van belegging hebben gemaakt. Dat is natuurlijk onzin. Als je van tevoren weet dat je op een bepaalde dag een bepaald bedrag beslist moet betalen, dat is er geen betere manier om die som te reserveren dan door in een deposito te beleggen. En voor degene die slecht gaat slapen van de gedachte dat de nominale waarde achteruit zou kunnen lopen, is er maar een simpele oplossing: het spaarbankboekje.