Islamitische genezers

Onderzoek onder etnische minderheden in Nederland is vooral onderzoek naar achterstandsituaties waar nodig wat aan gedaan moet worden. Veel te hoge werkloosheids-en criminaliteitscijfers, gemiddeld veel slechtere huisvesting en veel te veel schooluitval, minder goede gezondheid, onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal en te geringe deelname aan politieke en culturele activiteiten. Het is een treurigmakend en eentonig verhaal, dat volgende week in de Tweede Kamer in veel politieke variaties verteld zal worden in wat nu al bekend staat als het eerste integrale integratiedebat. Het is onvermijdelijk ook een eenzijdig verhaal, omdat het geen recht kan doen aan de vele Surinamers, Antillianen, Turken en Marokkanen (de groep met de meeste problemen), die het wel goed maken in de Nederlandse samenleving. De minderheid met wie het niet goed gaat, is helaas te groot, te jong en te zeer geconcentreerd in de slechtere wijken van de grote steden om te kunnen volhouden dat het allemaal vanzelf wel goed zal komen.

Het achterstandsonderzoek is altijd vergelijkend onderzoek en de Nederlandse bevolking is dan de vergelijkingsmaatstaf. Onderzoek dat los van iedere vergelijking gewoon laat zien hoe het leven van bijvoorbeeld Turken of Marokkanen door henzelf wordt vorm gegeven in hun nieuwe vaderland, is er niet zoveel. Twee jaar geleden heb ik hier al het proefschrift van Ruud Strijp over de ontwikkeling van de moslimgemeenschappen in Tiel en de bouw van de moskeeën daar besproken. Vandaag vraag ik, ook wel een beetje als lichte noot in de zware discussie die al weken in deze krant en volgende week in de Kamer woedt, graag aandacht voor het proefschrift van Cor Hoffer. Het is geen bijzonder vrolijk of zelfs maar gemakkelijk toegankelijk boek, maar het laat op zo'n aardige manier zien hoe gewoon, rationeel en herkenbaar medisch-religieuze praktijken kunnen zijn, die op het eerste gezicht toch wat griezelig en groezelig aandoen.

Een kleine 5 procent van de Nederlandse bevolking bestaat nu uit moslims. De meerderheid van hen bestaat zeker niet uit enthousiaste moskeebezoekers, maar langzaam maar zeker beginnen zich toch, met alle beperkingen die daar in een seculier en westers land aan vast zitten, een heel eigen wereld van religieuze en semi-religieuze organisaties en instituties te ontwikkelen. Er werken nu al een paar honderd imams in Nederland en in toenemende mate zijn er ook islamitische genezers werkzaam. Net zo min als de imams kunnen zij als een groep beschouwd worden. De landen van herkomst zijn heel verschillend (Turkije, Marokko, Pakistan, India, Suriname, West-Afrika) en daarmee ook de stroming binnen de islam waartoe men behoort, de aard van de opleiding en de mate waarin men zich verbonden voelt met de regering van het eigen land. De islamitische genezers, sommigen daarvan zijn zelf ook imam, vallen buiten de kring van de officiele geloofsdienaren, maar zien hun werk duidelijk wel als een vorm van geloofsbeoefening.

Veel moslims zien dat ook zo, maar als typische representanten van het `volksgeloof' genieten ze formeel geen enkele erkenning. Veel imams en moskeebesturen hebben ook niet veel met hen op, al blijkt dat strenge oordeel in de praktijk toch de nodige ruimte te laten. Hoffer beschrijft beeldend hoe moeilijk het voor een buitenstaander is toegang te krijgen tot de wereld van de genezers. Het is hem niet gelukt vast te stellen hoeveel er in Nederland werkzaam zijn en ook niet of er meer dan incidenteel vrouwen als genezer werkzaam zijn. De meeste van de enkele tientallen genezers die hij heeft kunnen spreken, zijn van Marokkaanse afkomst. De basis van hun genezingskracht zien zij soms in hun bijzondere afstamming, van Mohammed zelf of van een grote heilige, maar er zijn er ook die hun vermogens bij een leermeester ontwikkeld hebben en anderen die geheel autodidact zijn en verwijzen naar hun intensieve studie van de koran en de hadith, de verhalen over het leven van Mohammed. In alle gevallen speelt het geloof een grote rol, bij henzelf en bij de patiënten, al zijn er toch al enkele genezers die hoofdzakelijk Nederlanders in hun praktijk hebben. Dat leidt dan weer tot interessante aanpassingen in de toepassing van de verschillende geneeswijzen.

Wat doen islamitische genezers? Bijna allemaal praten ze veel en lang met hun patiënten, luisteren en kijken aandachtig, lezen de bij de patiënt passende verzen uit de koran, roepen soms ook geesten op en leggen dromen uit. Soms wordt ook gebruik gemaakt van bepaalde rituelen en symbolen. In het algemeen geeft men zich heel wat moeite een goed beeld te krijgen van de patiënt en zijn of haar problemen. Van concurrentie met de gewone reguliere geneeskunde is geen sprake, eigenlijk is het ook geen alternatieve geneeskunde die bedreven wordt, maar complementaire. Het accent ligt daarbij op de aandoeningen, waar ook de reguliere geneeskunde maar beperkt succesvol is: chronische ziekten, psychische problemen, functionele klachten, levensproblemen.

Gebedsgenezing is de door alle genezers in vrijwel alle situaties toegepaste therapeutische techniek. Bijzondere vormen van gebedsgenezing zijn het blazen van speciale koranverzen over de lichaamsdelen die zijn aangedaan, het schrijven van amuletteksten die de patiënt bij zich blijft dragen, maar ook het oplossen van met inkt of saffraan geschreven koranteksten in water dat dan door de patiënt op bepaalde tijden en met toepassing van bepaalde rituelen gedronken moet worden. Wie het rijke roomse leven nog heeft meegemaakt, herkent in deze technieken het schietgebedje, het scapulier en het wijwater. Uiteraard wordt er ook met kruiden en zalfjes gewerkt, worden massagetechnieken en handoplegging regelmatig toegepast en vindt in sommige gevallen ook de bezwering en uitdrijving van geesten plaats. Dat klinkt spectaculair, maar komt toch veel minder voor dan vaak gedacht wordt. De meeste genezers doen dit niet, ze zullen eerder geneigd zijn de patiënt en zijn familie adviezen te geven ten aanzien van hun eten en drinken, de ademhaling of het bidden.

Uit de kleurrijke beschrijvingen die Hoffer van de praktijk geeft, komt steeds naar voren dat de genezers patiënten vaak veel en zeer persoonlijk begeleiding geven. In veel gevallen zijn hun praktijken ook opvallend klein of zijn ze erg terughoudend in het aanbieden van hun diensten. Niettemin kwam Hoffer ook Jomanda-achtige `healing'-situaties tegen met meer dan honderd mensen. Dat was echter toch een uitzondering, zoals ook de genezer met een grote praktijk en een omzet van duizend gulden per dag een uitzondering was. Veel genezers hanteren geen tarief, maar accepteren wel giften. De meesten van hen leven van een kleine uitkering of een pensioen en de geur van geld is al gauw een bedreiging voor hun reputatie.

Cor Hoffer opent zijn proefschrift met nogal zware en algemene beschouwingen over cultuur, religie en geneeskunde, waarbij hij vooral veel aandacht geeft aan geschiedenis van de geneeskunde in de islamitische wereld. Dat is wel interessant, maar het wordt pas boeiend als hij de contrasten gaat schilderen tussen de `formele' islam en het volksgeloof en de daar naadloos inpassende volksgeneeswijzen. Uit de levendige beschrijving van de praktijken van de genezers in Nederland en uit de verhalen van hun patiënten blijkt dan hoe gemakkelijk op het eerste gezicht volstrekt verschillende werelden met elkaar gecombineerd worden. Turken en Marokkanen oriënteren zich zowel op de moderne Westerse geneeskunde, die ze in veel gevallen ook al van thuis kennen, als op de traditionele geneeswijzen. Het een sluit het ander absoluut niet uit. Soms ziet men zelfs kans dezelfde aandoening in twee verschillende registers te bespreken en te behandelen: kinderloosheid kan dan bijvoorbeeld gezien worden als een medische conditie met een biologische oorzaak, maar tegelijkertijd ook als het gevolg van de werking van een boze geest of zelfs van het `boze oog'.

Juist omdat deze theorieën niet concurreren, maar op hun eigen manier beide waar zijn, dat wil zeggen op een heel verschillende manier betekenis geven aan dezelfde nare omstandigheid, begint hier en daar de samenwerking tussen de reguliere geneeskunde en deze complementaire volksgeneeswijzen op gang te komen. Zeker in de geestelijke gezondheidszorg is er sprake van een groeiende belangstelling en ook een groeiende betrokkenheid op elkaar. De aanvaardbaarheid van het resultaat is in de praktijk van de geneeskunde en de gezondheidszorg vaak toch belangrijker dan de consistentie van de aanpak of de bewijsbaarheid van de methode. Dat geldt in ieder geval voor de patiënten.

Cor Hoffer. Volksgeloof en religieuze geneeswijzen onder moslims in Nederland. Thela-Thesis, Amsterdam, 396 blz. Rijksuniversiteit Leiden, 17 februari 2000. Promotores: prof.dr.ir. B.F. Galjart [UL], prof.dr. F. de Jong [UU] en prof.dr. Sj. van der Geest [UvA].