'Ik schiet tekort in Nederland'

Zal het kabinet deze maand de Chinezen officieel als minderheid erkennen? Drie generaties vrouwen als spreekbuis van de zwijgzaamste minderheid in Nederland. `Ik weet hoe kwetsbaar een Chinees is in Nederland.'

Yin-Fong Yeung, 82. Geboren in Kanton. Woonachtig in het vorig jaar geopende Utrechtse bejaardenhuis, waar zowel Nederlandse als Chinese ouderen wonen. Hua Fu ('Geluk voor Chinezen') heet het Chinese gedeelte.

Even afstandelijk als beleefd schudt Yin-Fong Yeung mijn hand. Ik kom oorspronkelijk uit communistisch China – reden voor haar terughoudendheid. Waar ben ik precies geboren? En wat doe ik in het Westen? Voorzichtig leg ik uit dat ik ben getrouwd met een Nederlandse man. Het feit dat ik in 1989 als hongerstaakster deelnam aan de studentenopstand in Peking laat ik onvermeld. Zo gaan Chinezen met elkaar om: afwachtend, wantrouwend. Zeker in het begin.

,,Mijn verhaal is het niet waard om verteld te worden'', zegt Yin-Fong Yeung. ,,Ik ben oud en dom. Laten wij maar niet over politiek praten. Daar zijn `de grote mensen' verantwoordelijk voor.'' Na een jeugd in Kanton werkte zij met haar ouders, twee zussen en een broer in Hongkong, waar vader en moeder in de jaren vijftig overleden. Onmiddellijk stokt haar stem. Yin-Fong Yeung draait haar gezicht naar de muur en zwijgt verdrietig. Als we even over het weer hebben gepraat (,,Ik hou van sneeuw'', zegt ze, ,,want dan wordt de wereld weer zuiver'') krijgt het gesprek vaart.

Op tafel verschijnt het boek `Wie is wie in Hongkong', waarin een foto staat van een jonge, charmant ogende carrièrevrouw. `Lady Yeung, Yin-Fong', luidt de tekst. `Afkomstig uit de provincie Guangdong. Meer dan dertig jaar in Hongkong gewoond. Een van de weinige vrouwelijke beoefenaars van Wushu, de nationale Chinese vechtsport. Door haar eerlijkheid en vriendelijkheid wordt zij alom gerespecteerd. Haar menselijke warmte en talent liet zij zien tijdens haar voorzitterschap van het vrouwenwerk in het district Wu Fang. Verder was zij een uitstekende manager van het lokale Volksdagblad.'

Ze vertelt te zijn geboren in een `kapitalistische' familie. ,,Mijn vader was een succesvol zakenman. Voor mensen als hij – mensen die behoorden tot de elite – brak er na het einde van het keizerlijke bestuur een kansrijke periode aan. Ook vrouwen kregen in de nieuwe Republiek China van Sun Yat-sen mogelijkheden. Het einde van het voetenbinden betekende een revolutie! Veel vrouwen gingen bijvoorbeeld studeren. Ikzelf mocht al vanaf mijn zevende jaar naar school. Toch raakte ik verbitterd: de universiteit zou altijd een droom blijven. In 1937, toen ik achttien jaar was, brak de Sino-Japanse Oorlog uit. Ik kon niets anders doen dan mijn vader helpen in zijn bouwbedrijf.

,,In 1945 trouwde ik met een ondernemer, mede uitgekozen door mijn ouders. Ik leerde de gehoorzaamheid kennen. Maar aangezien wij min of meer dezelfde achtergrond hadden en onze visie op het leven deelden, werd ik gelukkig met hem. Helaas ging het slecht met de business: Mao Zedong en zijn communisten grepen de macht in China, en verboden het zaken doen. Onze eigendommen moesten wij afstaan aan de overheid. Toch besloten mijn ouders niet naar Taiwan te vluchten. Over de details wil ik niet praten, maar een paar jaar later werden mijn ouders uitgemaakt voor `uitbuiters' en mishandeld tot de dood erop volgde. Ellende komt nooit alleen, zeggen ze in China. In 1955 stierf mijn echtgenoot plotseling, door een ziekte. Met mijn kinderen vertrok ik alsnog naar Taiwan.

,,Het leven is soms een grap, een onbegrijpelijke grap. Aan de ene kant is het triest dat ik zo jong mijn man verloor, aan de andere kant was het ook een bevrijding. Een Chinese vrouw moest zich in mijn tijd volkomen loyaal tegenover haar man opstellen, wat ondraaglijk was. Je mocht niet aan jezelf denken. Na zijn dood kon ik me op mijn eigen ontwikkeling concentreren. Uiteindelijk werd ik directeur van een krant. Dat vervult me met trots.

,,In de jaren zeventig emigreerde mijn zoon, eigenaar van een restaurant en een handelsfirma, naar Nederland. Na mijn pensioen ging ik hem achterna. Het was een bewuste keuze om de laatste jaren van mijn leven door te brengen in dit mooie land, groen en vol bloemen. De maatschappij is democratisch, geëmancipeerd – dat was ik niet gewend. De mensen zijn vriendelijk en eerlijk. Ik ben hier nooit bedrogen, in China heel vaak. Mijn enige probleem is dat ik de weg kwijt raak als ik in de sneeuw ga wandelen. Nou ja, ik word elke keer weer door onbekende mensen veilig teruggebracht naar het bejaardentehuis.

,,Jammer genoeg heb ik de Nederlandse taal nooit onder de knie gekregen. Dat belemmert me enorm in mijn contacten. Ik ben een halve Hollander, die niet voldoet aan de plichten van een staatsburger. Daar voel ik me schuldig over. Nederland biedt me een thuis na al die narigheid in China, waar ik mijn andere helft achterliet, en nu schiet ik tekort.

,,Van discriminatie heb ik hier weinig gemerkt. Eenzaamheid heb ik ook niet ervaren. In dit bejaardentehuis heb ik veel vrienden, vooral Chinezen. Met Nederlanders kan ik alleen communiceren door middel van lichaamstaal en dat gaat niet makkelijk. Ik lees, dans en zing graag. Ook komen mijn kinderen en kleinkinderen mij regelmatig bezoeken. Daarmee ben ik tevreden. Eigenlijk leef ik hier gewoon als een Chinese, maar met meer vrijheid.''