HET NAKENDE AFSCHEID VAN DE MOOIE SPORT

Nog zes maanden en dan heeft Tom van 't Hek (42) zijn werk als bondscoach van de Nederlandse hockeysters erop zitten. De luwte lonkt. ,,Ik weet niet of ik nog deel wil blijven uitmaken van het hockeywereldje.''

Als vanouds vlijmscherp was het oordeel van Tom van 't Hek. ,,Dus ook Kampong is om'', concludeerde de voormalige spits in zijn column in het huisorgaan van de Utrechtse omnivereniging. ,,Alles waar wij als vereniging vroeger zo om gelachen hebben, wat zoveel kracht gaf als wij weer eens tegen een club moesten die zich met dit soort dingen inliet, gooien wij overboord en ook wij doen mee met de verzakelijking van de sport.''

Een provocateur is de jongste Van 't Hek (42) altijd al geweest, maar ditmaal was het de oud-international ernst. Een uitnodiging voor een brainstormsessie in het kader van de Kampong Tophockey Beleidsnota? Met behulp van een computer, voorzien van die griezelige naam brainserver? Waren ze helemaal van de pot gerukt? Het dak konden ze op. Sterker nog: ,,Misschien is dit wel mijn laatste stukje, want mijn ouders leerden mij al om niet te veel te komen op plekken waar je je niet meer thuisvoelt!!'', besloot Van 't Hek de bijdrage.

Zijn tirade werd hem door de trouwe achterban, onder wie oud-bondsvoorzitter Wim Cornelis, niet in dank afgenomen. Maar spijt van zijn ontboezeming heeft Van 't Hek niet. Integendeel. ,,Waar hebben we het over? De brainserver! Het woord alleen al. Een computer die een virtuele hockeyclub schetst, met een huiswerkklas, een parkeergarage onder het kunstgras en jawel: de mogelijkheid om midden in de nacht een potje te kunnen hockeyen met je vrienden. Want ja, we leven in een 24-uurseconomie.'' Na een korte pauze: ,,Ik juich lange-termijndenken toe, maar met dit soort dingen wil ik niets te maken te hebben. Cultuurverlies, een ander woord heb ik er niet voor.''

Nog zes maanden en dan heeft hij zijn werk als bondscoach van de Nederlandse hockeysters erop zitten. Na de Olympische Spelen in Sydney neemt zijn voormalig assistent Marc Lammers zijn taken over, zoals maandag officieel bekend werd gemaakt door de hockeybond. Maar wat gaat Van 't Hek doen? ,,Ik ben 24 jaar geleden een hockeyveld opgestapt. Sindsdien heeft mijn leven in het teken gestaan van die sport. Voor mijn ontwikkeling is het verstandig een stapje terug te doen. Maatschappelijk wil ik mij verder oriënteren.''

Sinds drie jaar beschikt Van 't Hek, behalve bondscoach ook presentator van het radioprogramma 't Hek van de Dam en gediplomeerd arts, over een eigen pr-bedrijf, dat presentaties, lezingen en gastoptredens verzorgt bij bedrijven en instellingen. ,,Daar ga ik de komende jaren sowieso meer tijd en energie in steken. Voor het overige weet ik het niet, behalve dat ik de rest van mijn leven niet wil doorbrengen als hockeycoach.''

Toch duikt zijn naam in de wandelgangen regelmatig op als de coach die na zes jaar het werkterrein naar de mannen verlegt. Van 't Hek heeft die geluiden ook opgevangen. ,,Iedereen schijnt dat maar te denken. Niets is minder waar. Vooralsnog heb ik geen enkele ambitie in die richting. Nee, ook niet in de hoofdklasse en dat heb ik sommige clubs ook laten weten. Maar ik kan het tien keer roepen, mensen willen het kennelijk niet geloven.''

Een carrière in het voetbal, zoals oud-bondscoaches Hans Jorritsma en Roelant Oltmans die na het hockey verkozen, is niet aan Van 't Hek besteed. ,,Totaal andere cultuur, totaal andere belevingswereld. Ik ben een voetbalsupporter, hoewel sommigen mij een kenner noemen. Maar inhoudelijk heb ik te weinig kennis om daar stevig in mijn schoenen te kunnen staan. Bovendien spreekt die cultuur mij niet erg aan.''

In de Amsterdam Arena laat de Ajax-supporter Van 't Hek zijn gezicht sowieso niet meer zien. ,,De charme van Ajax was tot voor kort dat ze ondanks de professionele benadering altijd een club bleven. Daar is nu geen sprake meer van. Niet voor niets heten al die clubs nu Betaald Voetbal Organisaties. De enige voetbalclub die mij tegenwoordig nog een beetje aanspreekt is Heerenveen, hoewel het lot van Ajax mij nog altijd zeer aan het hart gaat.''

Begaan is hij vanzelfsprekend ook met het hockey, de sport die de laatste jaren aan veranderingen onderhevig is. Van 't Hek kan het niet ontkennen: de van oudsher zo keurige sport met bal en stick, de sport waar tot voor kort elk dubbeltje in de bierpot werd gestopt, is geïnjecteerd door het commerciële virus. Aloude normen en waarden vervagen. Tot afgrijzen van Van 't Hek. ,,Mede daarom weet ik nog niet of ik nog wel deel wil blijven uitmaken van het hockeywereldje, want ook de sfeer rondom de velden verandert.''

Meer en meer regeert de macht van het geld op en rondom het kunstgras, zo heeft Van 't Hek geconstateerd. ,,En dat terwijl in mijn ogen de sport voorop dient te staan, de reden en het doel waarom je aan sport doet. Dat daar tegenwoordig betalingen aan te pas komen, heb ik geen moeite mee. Waar ik wel moeite mee heb: als geld voorop komt te staan, de prestatie langzaam maar zeker van ondergeschikt belang wordt, en er binnen een groep geen sprake meer is van gelijkheid. Dat de ene speler meer krijgt dan de ander. Dat druist in tegen het gevoel dat ik bij sport heb.''

Van 't Hek zegt de tijdsgeest niet te lijf te willen gaan, maar: ,,Ik signaleer ontwikkelingen waar ik mijn bedenkingen bij heb. Zo telt hockey op bestuurlijk niveau steeds meer mensen die de sport aanwenden om zich maatschappelijk te profileren, al ontkennen ze dat zelf in alle toonaarden. Dat zijn mensen waarbij ik de wenkbrauwen frons. Mensen die onder het mom van professionalisering – wat dat woord ook mag betekenen – met een zak geld staan te zwaaien.''

Een nostalgische dromer? Hoofdschuddend: ,,Het is me te oubollig om te stellen dat vroeger alles beter was, want dat is onzin. Wij speelden het zoals wij het speelden, punt uit. Het heeft ook niets met afgunst te maken, zo van: zij wel en wij destijds niet. Ik gun het de spelers van harte dat ze tegenwoordig een paar centen verdienen.''

Niettemin waarschuwt Van 't Hek voor het bouwen van luchtkastelen. ,,Geld is niet zo zaligmakend als veel mensen kennelijk denken. Hockey heeft een gezonde basis, in de zin dat het wereldwijd, en zeker in Nederland, door voldoende mensen wordt beoefend. Maar dat wil niet zeggen dat Nederland rijp is voor een professionele hockeycompetitie.''

Zorgen maakt Van 't Hek zich vooral over wat hij ,,onevenwichtige tendenzen'' noemt. ,,De sport teert voor een groot deel op de inzet van vrijwilligers. Hoe hou je die groep gemotiveerd? Bij full-professionalisme komt meer kijken dan het betalen van een paar spelers, en ik vraag mij af of hockey daar aan toe is. Met al die buitenlandse spelers dreigt het gevaar dat de sport een kind met een waterhoofd wordt. Een soort korfbal met een sterke competitie in eigen land, maar daarbuiten stelt het niets voor.''

Weinig voorstellen deed ook het Nederlandse vrouwenhockey toen Van 't Hek in '94 aantrad, en de sfeer om te snijden was. ,,Wantrouwen is een groot woord, maar in de omgang was geen sprake van eensgezindheid. Het was te vrijblijvend. Iedereen was met zijn eigen winkeltje bezig. Mijn uitdaging was het smeden van een hechte gemeenschap, van een groep die weer openstond voor andere meningen. Daar is veel tijd en energie in gestoken.''

Af en toe gaan Van 't Heks gedachten nog wel eens terug naar het olympisch kwalificatietoernooi, vijf jaar geleden in Kaapstad, waar zijn ploeg bange uren doormaakte en uiteindelijk met de schrik vrijkwam. ,,Kaapstad was voor mijn critici het moment om te zeggen: zie je wel, die Europese titel van een paar maanden daarvoor kwam uit de lucht vallen. Voor mezelf was dat toernooi een goede leerschool. Ik kwam daar tot de ontdekking dat ik te weinig ervaring had, dat betrokkenheid niet voldoende was en mijn kennis van het internationale vrouwenhockey onvoldoende was.''

En dat terwijl Van 't Hek zich maar wat graag wilde bewijzen. ,,Zeker in het begin toen veel mensen zoiets hadden van: dat eigenwijze jongetje staat nu langs de lijn, maar eens zien wat dat wordt. In het hockey wordt de twijfel niet rechtstreeks in je gezicht uitgesproken, maar na afloop aan de bar. Voor mijn gevoel moest ik telkens de strijd met die mensen aangaan. Die tijd is voorbij. Ik hoef me niet zonodig meer waar te maken. Ik wil resultaten neerzetten en doe dat op mijn wijze, en dat wordt inmiddels geaccepteerd, enkele uitzonderingen daargelaten uiteraard.''

Desondanks nam Van 't Hek dinsdag geërgerd kennis van de krantenverslagen waarin hij, een dag na de presentatie van Lammers, tot vervelens toe werd geafficheerd als een grappenmaker. Cynisch: ,,Kennelijk ben ik in staat om met een grapje en af en toe een goed gesprek een team naar de wereldtop terug te brengen. Als dat zo is, dan zou ik iedere coach bij deze van harte willen aanbevelen hetzelfde te doen, want met die aanpak schijn je heel ver te kunnen komen.''

Het imago van de goedgebekte coach zonder technische/tactische inzicht strookt niet met de werkelijkheid, zoveel wil Van 't Hek maar zeggen. ,,Dat beeld doet afbreuk aan mijn ideeën over hoe een wedstrijd gespeeld dient te worden. Dat die inzichten niet altijd overeenkomen met de algemeen geldende opvattingen, prima. Maar pretenderen dat ik geen gedachten heb en mezelf puur en alleen staande weet te houden omdat ik toevallig goedgebekt ben? Dan is zes jaar wel een beetje lang, nietwaar?''

Ach ja, de betweters. ,,Veel coaches menen te weten dat het voetenwerk van speelster X niet deugt, dat haar tweede jab nog niet voldoende ontwikkeld is en ga zo maar door. Van daaruit denken en werken ze. Ik heb een wezenlijk andere insteek. Ik beoordeel iemands kwaliteiten, op hockeyanalytisch en -technisch vlak. Die kwaliteiten probeer ik optimaal te ontwikkelen. Bij de wat mindere aspecten probeer ik de achterstand niet al te groot te laten worden. Die manier van werken wordt afgedaan als `positivistisch' en `communicatief aardig', nou goed, het zal wel. Ik denk niet in systemen, ik ga uit van mogelijkheden.''

Een voorbeeld: ,,Een of andere hockeyprofessor heeft mij ooit uitgelegd dat Dillianne van den Boogaard op een foute manier de strafcorner slaat. Dan denk ik: als je `fout' de hardste corner van de wereld hebt en daarmee regelmatig scoort, blijf 'm dan vooral lekker fout slaan. Maar goed, ik ben kennelijk niet zo briljant als al die zogenaamde kenners die — en dat is wel aardig — zelf nooit op hoog niveau gehockeyd hebben en daarmee nooit de spanning van het veld gevoeld hebben.''

Niet dat hij de wijsheid in pacht heeft, begrijp hem niet verkeerd, maar waarom heeft niemand de 221-voudig international al die jaren gevraagd wat zijn manier van coachen of denken is? ,,Dat verbaast mij. Die denken dat ik drie tegen twee oefen en vier tegen vier speel, en al jaren het geluk aan mijn zijde heb. Die geluiden verstommen nu langzaam maar zeker, want zes jaar alleen maar geluk dat vinden zelfs zij een beetje verdacht.''

De enige smet op zijn blazoen is de affaire-Noor Holsboer. Uit ongenoegen over de eendimensionale aanpak van Van 't Hek drong de HGC-routinier drie jaar geleden aan op diens onmiddellijke vertrek. Van 't Hek zette de rebel meteen uit de selectie. ,,Een onvermijdelijke botsing die mij weinig keuze liet. Mijn integriteit stond op het spel.''

Des te verrassender was de uitverkiezing, afgelopen zondag, van de wispelturige Mieketine Wouters. Na ruim zes jaar mag de 31-jarige aanvalster weer opdraven in het Nederlands elftal. Van 't Hek: ,,Zo verrassend is die keuze niet. Mieketine speelt momenteel uitstekend. Daarnaast heb ik nooit trammelant met haar gehad. Bovendien: als er iemand is die altijd heeft gezegd dat lastige spelers gekoesterd moeten worden, ben ik het wel. Ik ben een groot voorstander van individuele vrijheid. Alleen: de speelruimte is heel groot, maar begrensd. Ergens staat een hek. Je moet niet, zoals Holsboer, buiten die grenzen treden. Maar voor alle duidelijkheid: de suggestie dat ik alleen maar volgzame types zou selecteren, bestrijd ik hartgrondig.''