Europa en banen

Hans Labohm is een merkwaardige gastonderzoeker (Clingendael) met opmerkelijke uitspraken over het Europees werkgelegenheidsbeleid. Zijn stelling is dat dit beleid zinloos is, zolang loonmatiging door de vakbeweging in een aantal lidstaten nog als vloeken in de kerk wordt beschouwd (NRC Handelsblad, 27 maart). Alsof loonmatiging het enige effectieve instrument is. Kenmerkend voor de Europese werkgelegenheidsstrategie is nu juist, dat het niet in vage verdragsteksten (Verdrag van Amsterdam) of simpele oplossingen is blijven steken. Het communautaire beleid heeft handen en voeten gekregen in de operationele afspraken, die de ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid direct daarna hebben gemaakt in Luxemburg. Daar werd afgesproken werd dat de lidstaten zich verplichten tot het indienen van nationale actieplannen. Nog belangrijker was de afspraak, dat deze nationale actieplannen en de inzet van de structuurfondsmiddelen zouden moeten worden getoetst door de Europese Commissie.

De Europese Unie wil meer en betere banen. Deze doelgerichtheid wordt in Labohms bijdrage afgedaan als zinloos. Volledige werkgelegenheid wordt beschouwd als een natuurverschijnsel – elke dag mooi weer – en de werkgelegenheidsstrategie als `volksverlakkerij' (Zalm). Loonmatiging is geen panacee, zomin als het poldermodel. Dat zijn dan ook geen pijlers waarop de Europese werkgelegenheidsstrategie berust. Ook in de Europese richtlijnen voor het werkgelegenheidsbeleid komt men dergelijke simplistische aanbevelingen niet tegen.

Daarin gaat het om meer en betere banen te scheppen door stimulering van inzetbaarheid (employability), ondernemingszin (entrepreneurship), aanpassingsvermogen (adaptability) en gelijke kansen (equal opportunities). Op deze vier pijlers baseren de lidstaten thans hun werkgelegenheidsbeleid. De omzetting van de nationale plannen binnen de gemeenschappelijk vastgestelde strategie en overeenkomstig de communautaire richtlijnen wordt jaarlijks nauwkeurig tegen het licht gehouden en vergeleken met de drie best presterende lidstaten, alvorens tot vervolgacties en inzet van stimuleringsmaatregelen te besluiten. Deze praktische en doelgerichte aanpak maakt het Europese werkgelegenheidsbeleid succesvol. Discussiebijdragen als die van Labohm, die voorbijgaan aan deze aanpak, missen richting en doel.