Dwang noch drang helpt

De Tweede Kamer heeft deze week voorzichtig ingestemd met het wetsvoorstel van minister Korthals van Justitie voor de zogeheten strafrechtelijke opvang van verslaafden. Rob Bovens uitte op de Opiniepagina van 4 april bezorgdheid dat de nieuwe maatregel het bestaande `drangbeleid' zal verdringen. Zijn pleidooi het bestaande instrumentarium beter toe te passen gaat er aan voorbij dat drang en dwang berusten op hardnekkige misvattingen en amper effect hebben op criminaliteit.

Sinds 1994 kent Nederland drangbeleid. Door te dreigen met rechtsvervolging wordt er bij criminele harddrugsverslaafden op aangedrongen zich te laten behandelen. De verslaafden behouden de vrijheid om te kiezen. Als de strafrechtelijke opvang wordt ingevoerd, kunnen de verslaafden niet kiezen en worden ze voor anderhalf jaar gedwongen opgenomen om af te kicken. De aanpak is bedoeld voor harddrugsverslaafden die veelvuldig veroordeeld zijn voor criminele feiten.

Het gaat in de grotere gemeenten naar schatting om twee- tot vierduizend personen, die voornamelijk veroordeeld zijn voor winkeldiefstallen, inbraken en drugshandel. Gezien de aard van hun delicten zijn zij relatief kort in detentie. Volgens de analyse die aan de strafrechtelijke opvang ten grondslag ligt is die tijd te kort om het gedrag van de verslaafde te beïnvloeden. Een langdurig gedwongen verblijf in een behandelinrichting moet de verslaving doorbreken. Strafrechtelijke opvang gaat net als het drangbeleid ervan uit dat criminaliteit en overlast afnemen als de verslaving voorbij is.

Dit is een misvatting. Sinds begin jaren negentig is uit verschillende onderzoeken gebleken dat verslaving niet automatisch tot criminaliteit leidt, ook al komt criminaliteit relatief veel voor in kringen van drugsgebruikers. Ruim de helft van de geregistreerde harddrugsgebruikers is niet crimineel actief. Viervijfde van de harddrugsverslaafden bekostigt zijn gebruik vooral uit legale inkomsten. Een deel van de criminele verslaafden was eerst crimineel en raakte pas daarna verslaafd.

De gedachte dat verslaving criminaliteit veroorzaakt, komt voort uit het beeld van de altijd gejaagde junk, die zes keer per dag en 365 dagen per jaar moet scoren. In de praktijk is het drugsgebruik veel afwisselender. Tijden van gebruik en onthouding wisselen elkaar af. Als er veel geld is worden meer drugs gebruikt.

De strafrechtelijke opvang is bedacht om verslaafden te behandelen die zich aan de verslavingszorg onttrekken. Voor hetzelfde doel, en zonder succes, werd in het begin van de jaren negentig drang ingevoerd. Succes bleef uit omdat al bijna iedere criminele verslaafde `veelpleger' een cliënt is van de verslavingszorg. Ook de meest hardnekkige verslaafden zijn meermalen onder begeleiding afgekickt en voor korter of langer clean geweest.

Dwang en drang worden verder gesteund door de veronderstelde maatschappelijke schade die crimineel gedrag van langdurig verslaafden veroorzaken. Zo worden bepaalde vormen van vermogenscriminaliteit vooral aan harddrugsgebruikers toegeschreven. Van alle criminaliteit is volgens het ministerie van Justitie tien procent toe te schrijven aan verslaafden. De `veelplegers', op wie de strafrechtelijke opvang is gericht, nemen hiervan een deel voor hun rekening. Stel dat het lukt het gedrag van een deel van deze groep te beïnvloeden, dan nog zal het maatschappelijk effect gering zijn. De totale criminaliteit zal door dwangbehandeling nauwelijks verminderen.

Tot slot is er de misvatting over het effect van dwang en drang. De ervaringen met drang zijn niet positief. Amsterdam was de eerste stad die drang op grote schaal toepaste en is er ook als eerste mee gestopt.

Wat de effectiviteit van dwang betreft, zijn er de ervaringen in het buitenland. Het ministerie van Justitie en het Trimbos Instituut hebben deze geïnventariseerd. Daaruit blijkt dat langdurige gedwongen opname een iets hogere kans van slagen heeft dan vrijwillige behandeling van verslaving. Maar het overgrote deel van de deelnemers begint na afloop weer met harddrugs en stelen. De kans op succes is groter bij jonge mensen die minder ernstig verslaafd zijn en minder ernstig crimineel.

Afkicken is niet af te dwingen. Als de overheid iets wil doen aan criminaliteit dan zijn dwang en drang geen goede benaderingen. De mechanismen van zelfcontrole die harddrugsgebruikers hanteren en die momenteel door de wetenschap en de verslavingszorg worden onderzocht, zijn een betere basis voor behandeling. De overlevingsstrategieën van junks die niet stelen, kunnen als voorbeeld dienen. In combinatie met gereguleerd gebruik lijkt deze methode effectiever voor bestrijding van criminaliteit én behandeling van verslaving dan gedwongen afkicken.

Christian Bröer is socioloog.