DOLFIJNEN, ZEEHONDEN EN WALVISSEN SPAREN ENERGIE VIA GLIJDUIK

Een team van Amerikaanse marien biologen heeft ontdekt dat dolfijnen en zeehonden tijdens diepe duiken energiezuinig gedrag gaan vertonen. Duiken de dieren dieper dan 80 meter, dan stoppen ze met de staartslag. Ze glijden bijna bewegingloos verder, op zoek naar voedsel (Science, 7 april).

De ontdekking van de Amerikanen is een mooie toevoeging aan reeds bekende aanpassingen van zeezoogdieren aan het waterleven. Zo `verversen' dolfijnen bij iedere ademteug 80 tot 90 procent van hun longvolume (bij de mens is dat slechts 5 tot 15 procent). Zodra ze gaan duiken stopt de zuurstofaanvoer naar de meeste organen. Het zijn voornamelijk de hersenen en het hart die dan nog van zuurstof worden voorzien. Een dikke vetlaag zorgt ervoor dat de zuurstof niet te snel wordt verbuikt. Hierdoor zijn bijvoorbeeld dolfijnen in staat om zeven minuten lang onder water te blijven. Ze kunnen daardoor voedsel zoeken tot op ruim 500 meter diepte. Voor zoogdieren – die een sterk zuurstofafhankelijke stofwisseling hebben – mag dat een prestatie heten.

De ontdekking die de Amerikanen hebben gedaan is vooral te danken aan de ontwikkeling van kleine video-camara's die de grote druk op honderden meters diepte kunnen weerstaan. De marien biologen bevestigden zo'n camera op de rug van een aantal zeezoogdieren en volgden hun duikgedrag. Ze bestudeerden drie Weddell zeehonden bij McMurdo Sound op Antarctica, een olifantszeehond in Monterey Bay (Californië), een dolfijn nabij San Diego en een blauwe vinvis langs de Cordell Bank in het noorden van Californië. Nadat de dieren de eerste 30 tot 200 seconden naar beneden zwommen en daarbij hun staart op en neer bewogen, gingen ze daarna over op `glijden'. Hoe dieper de dieren doken, hoe langer de glijperiode duurde. Bij een van de Weddell zeehonden duurde die periode een keer ruim 6 minuten, hij dook toen tot 540 meter diepte. Het glijden kost 10 tot 60 procent minder energie, vergeleken met de staartslag. Voor een 400 kilo wegende zeehond betekent deze besparing dat hij 7,5 minuut langer onder water kan blijven zonder zuurstofgebrek te krijgen.

De Amerikanen hebben ook een verklaring voor het feit dat het glijden steeds makkelijker gaat naarmate de dieren dieper duiken. Want hoe dieper, hoe groter de druk op bijvoorbeeld de longen. Het longvolume neemt sterk af, terwijl de massa gelijk blijft. Het drijfvermogen neemt daardoor af. Het zeezoogdier zakt makkelijker naar beneden. Het waargenomen glijgedrag gold voor zowel de zeehonden, de dolfijn als de walvis.