Danser Jarosj

Ik hoor geruchten dat Gari Kasparov eindelijk weer eens een match om zijn wereldkampioenschap zal spelen, in oktober tegen Vladimir Kramnik. Het zou mooi zijn, maar we zijn wantrouwend geworden.

In 1997 zou hij een match tegen Karpov spelen, het jaar daarna was Shirov de gelukkige, vorig jaar zou het Anand zijn, maar er kwam nooit iets van terecht. Nu Kramnik dus. Misschien is het al weer afgelast als u dit leest.

Tijdelijk afgesneden van de schaakinformatiestromen ben ik wat dit betreft geen goede gids, maar het deert me niet, want ik heb het Probleemblad bij me, het tijdschrift van de Nederlandse Bond van Schaakprobleemvrienden.

In het eindeloze schaaklabyrint bezoek ik het hoekje van de problemisten te weinig, al weet ik dat er een rijkdom aan scherpzinnigheid en inventiviteit is in dit gebied dat door de meerderheid van de schakers zelden betreden wordt.

Het bloed kruipt waar het niet gaan kan, ik kijk met de ogen van een wedstrijdschaker, niet met die van een schaakprobleemvriend, en het eerste artikel dat ik in het nummer van januari/februari las, was het In Memoriam Lodewijk Prins.

Er staan drie problemen van Prins bij afgedrukt en bij het laatste trof me behalve de schaaktechnische inhoud ook een opmerking die de schrijver van het In Memoriam Piet le Grand er over maakte.

MmMmMFMm

AMmgCMmM

MmgmlaJa

mMaMAgmj

MmMaGmMc

mMmMmHmI

kmMmMmMm

mMmMmMmM

Mat in drie. Zo mocht je het overigens van Prins niet zeggen. Hij zelf schreef altijd nauwkeurig iets als ,,Wit begint en geeft tegen zwarts beste verdediging mat uiterlijk op de derde zet.''

Ik heb elders wel eens geschreven over het korte bezoek dat de probleemcomponist Cor Goldschmeding in 1993 aan Prins bracht ter gelegendheid van diens tachtigste verjaardag. Prins was sinds 1970 gebrouilleerd met de KNSB. In de loop der jaren hadden bestuursleden van de bond verzoeningspogingen gedaan, maar hun post werd niet geopend en Prins kwam niet voor hen aan de telefoon.

In 1993 stond Goldschmeding bij Prins voor de deur met een bosje bloemen. In de goedheid zijns harten had hij tijdelijk de functie van voorzitter van de KNSB op zich genomen en met de ruzie van 1970 had hij niets van doen. Niettemin eisten de principes van Prins dat hij Goldschmeding weg zou sturen.

Hij kon het niet over zijn hart verkrijgen en liet zijn gast binnen, op voorwaarde dat hij als vriend kwam en niet als vertegenwoordiger van de bond. Hij nam de bloemen aan. Ze voerden een kort vriendschappelijk gesprek. Toen ging Goldschmeding weer weg.

,,Oh Lodewijk, wat een mooie bloemen'', riep zijn vrouw uit toen ze thuis kwam. ,,Maar waarom heb je ze in de vuilnisbak gegooid?''

Het probleem van het diagram is gecomponeerd bij Prins thuis door `Lod. Prins & vrienden'. De belangrijkste bijdrage kwam volgens Le Grand van Cor Gold-schmeding. Het thema, aldus Le Grand, wordt wel het Lodewijk Prins-thema genoemd. Wit dreigt na zijn eerste zet met een Novotny (wie niet weet wat een Novotny is zal zijn leven verrijken door het in een boek op te zoeken), een dreiging die zwart pareert door met zijn dame het Novotny-veld te bestrijken.

Het Lodewijk Prins-thema was nieuw voor me en ik begreep nu hoe het kwam dat Lodewijk voor één keer de hand had gelicht met zijn strenge principes voor Goldschmeding, die in zijn onschuldige tijd, toen hij nog niets met het bestuur van de KNSB te maken had, een belangrijke bijdrage had geleverd aan het naar Prins genoemde thema.

De oplossing is zo: 1. Ld6. Wit dreigt de Novotny 2. Pg5+, waarna zwart de lijn van zijn toren of die van zijn loper moet onderbreken en mat gaat op de volgende zet. Zwart heeft twee verdedigingen, 1...Dd2 of 1...Dg2, in beide gevallen met de bedoeling om na 2. Pg5+ met de dame op g5 te slaan. In het eerste geval komt 2. a8D gevolgd door 3. De8 mat en in het tweede geval 2. a8P gevolgd door 3. Pc7 mat.

Ik had het Probleemblad vooral meegenomen om het artikel over de nominaties voor de millenniumproblemen. Op grond van voorstellen van lezers bracht de redactie 32 problemen bijeen, in acht categorieën, waaruit de lezers de acht millenniumproblemen konden kiezen. Het puikje van wat probleemcomponisten (en studiecomponisten, al horen eindspelstudies eigenlijk niet tot het terrein van het Probleemblad) in het afgelopen millennium hebben gemaakt.

Het millennium blijkt in dit geval de twintigste eeuw te zijn en vooral de tweede helft daarvan. Het mooiste is kennelijk van recente datum.

Er viel nauwelijks te ontkomen aan de beroemde stelling van Saavedra uit 1895 en het fameuze `Steinitz-gambiet' van Sam Loyd uit 1903 is nog steeds prachtig. Er zijn bij de 32 mooisten nog vijf andere problemen uit de eerste helft van de twintigste eeuw, maar de rest is vrij recent.

Misschien ben ik te veel beïnvloed door Tim Krabbé, maar het lijkt me kras als het millenniumprobleem in de categorie meerzetten niet het volgende zou blijken te zijn.

MmMdMmMm

mMDMAMmH

gmMmIaMm

FMmGfGmM

MAMmMmMA

mMaMAMmM

gCgmJmMm

EMmHmMmM

Leonid Jarosj, 1984. Mat in vier zetten.

Dit probleem is het schitterende hoogtepunt van de krachtsinspanningen die beschreven zijn in Krabbé's boek De man die de Babson task wilde maken.

De Babson task is een begrip dat stamt uit 1926. Wit doet een zet die een matdreiging inhoudt. Zwart verdedigt zich door een pion te promoveren. Als hij tot dame promoveert, moet wit ook een dame halen om mat te geven, als hij tot paard promoveert leidt alleen een witte paardpromotie tot mat en hetzelfde geldt voor loper en toren.

Bijna zestig jaar probeerden hardnekkige probleemcomponisten vergeefs om zo'n probleem te maken. De nuchteren dachten te weten dat het niet mogelijk was. Af en toe werden er foeilelijke monsters geproduceerd die niet eens helemaal aan de opgave voldeden.

En toen was er opeens een onbekende man die de volmaakte Babson task had gemaakt, Leonid Jarosj uit Rusland. Het was alsof beroemde gewichtheffers zestig jaar lang een onmogelijk zwaar gewicht hadden proberen te heffen, zwoegend, zwetend en steunend, en steeds bezweken ze onder de last. Toen kwam er een danser die het gewicht moeiteloos op de top van zijn vinger draaide.

Het wonderbaarlijke mechaniek werkt zo: 1. Pxc3 (dreigt 2. Pxa2+ Ke4 3. Dh1+ Kd3 4. Pc1 mat) en nu

A 1...c1D 2. exd8D Dxc3 3. Pxf6 Dxb2 4. Dxb2 mat.

B 1...c1T 2. exd8T Txc3 (of 2...Td1 3. Te7) 3. Pxf6 Kxf6 4. Lxc3 mat.

C 1...c1L 2. exd8L (2. exd8D? Lxe3 3. Tc4 pat) Lxe3 3. Tc4 Kd6 4. Pe4 mat,

D 1...c1P 2. exd8P Pb3+ 3. Kb6 Pxa1 4. Pf7 mat, en als toetje

E 1...Txd5+ 2. Pxd5+ Ke4 (2...Kd6 3. e8P mat) 3. Dh1+ Kd3 4. Pf4 mat.