Bubbels

Een oude wisecrack onder beurshandelaren luidt: `Als zelfs taxichauffeurs met je beginnen te praten over hun aandelenportefeuille, dan is het tijd om te verkopen. Het idee erachter is natuurlijk dat als iedereen met het beleggingsvirus besmet is geraakt, er waarschijnlijk zoveel geld naar de aandelenmarkten stroomt dat de koersen in geen enkele reële verhouding meer staan tot de in de toekomst te verwachten rendementen. De waarderingen zwellen op als luchtbellen waarvan de vraag niet meer is óf ze uiteen zullen spatten, maar wanneer.

Bubbelvorming, zoals dit verschijnsel wordt genoemd, is niet nieuw. Het klassieke voorbeeld is de tulpomanie, een verschijnsel dat zich in de jaren dertig van onze eigen Gouden Eeuw voordeed. De koopgekte rond tulpenbollen vond zijn hoogtepunt toen een bol evenveel opbracht als een groot Amsterdams grachtenhuis. Maar ook in de recente tijd zijn er beruchte voorbeelden. Koersen op de beurs van Tokio stonden in 1988 op een twee keer zo hoog niveau als vandaag. Toen beleggers plots zagen dat de winstgroeiverwachtingen zelfs in de toen nog supersterke Japanse economie nooit zouden worden waargemaakt, liep de bubbel leeg.

Velen vrezen dat de hoge prijzen die er vandaag voor aandelen, maar ook voor huizen worden betaald, slechts het gevolg kunnen zijn van koopgekte. Mensen stoppen hun laatste spaarcenten in aandelenfondsen, of ze steken zich diep in de hypotheekschulden om nog gauw een huisje te bemachtigen. Dat drijft de prijzen op. Totdat het niet meer gaat, en dan is Leiden in last.

Maar is de waarde van huizen en aandelen echt buitenproportioneel opgelopen?

Huizenprijzen zijn een functie van globaal twee zaken: de rente en de gezinsinkomens. Een gezin dat vier ton leent om een huis te kopen heeft bij 6 procent rente een bruto financieringslast van 24 duizend gulden – na belasting ongeveer vijftienduizend. Een gezin waar twee modale inkomens binnenkomen houdt netto zo'n 75 à 80 duizend gulden per jaar over. Is dat een ondraaglijke last?

Dan aandelen. Gemiddeld betaal je voor Nederlandse aandelen nu 25 keer de jaarwinst. Met elke aandeelhoudersgulden maken de bedrijven gemiddeld dus 4 cent winst. Dat is meer dan de rente die de spaarbank vergoedt. Maar bedrijfswinsten hebben de neiging te stijgen. Als we die stijging voorzichtig op vijf procent per jaar schatten, dan zou die 4 procent over tien jaar al opgelopen zijn tot 6,5 procent. Zijn aandelen dan echt te duur?