Bedot.com

In Nederland en Duitsland mogen bedrijven ongehinderd reclame maken voor hun eigen aandeel. Amerika laat dat niet toe, en de advertenties van Maurice de Hond voor zijn participatiemaatschappij Newconomy maken krachtig duidelijk waarom het strenge Amerikaanse systeem voordelen heeft. In de advertenties noemt De Hond zijn beleggingsclub voortdurend een `bedrijf'. Hij vergelijkt dat `bedrijf' in paginagrote propaganda met andere bedrijven en beweert dat zij zijn `bedrijf' aantrekkelijk moeten vinden omdat het nu al winst gaat maken, terwijl andere Internetbedrijven nog aankijken tegen vele jaren van aanloopverliezen.

Dit is geen Nieuwe Economie; dit is newspeak in het boekhouden. Wat De Hond probeert te verkopen is geen `bedrijf' en het maakt helemaal geen winst zoals bedrijven winst kunnen maken. Een echt bedrijf maakt winst wanneer de winst- en verliesrekening een positief resultaat laat zien. Zoals mr. Micawber al zei in David Copperfield van Charles Dickens: `income twenty shillings, spending nineteen shillings and sixpence, result happiness'. Er komt meer binnen dan er uitgaat, en de winst blijft over in de kas. Dat stadium heeft De Hond niet bereikt en volgens zijn eigen cijfers gaat het op z'n vroegst gebeuren in het jaar 2003. Hoe kan hij dan toch beweren dat zijn `bedrijf' nu al winst maakt?

Dat komt omdat hij helemaal geen bedrijf heeft opgericht maar een participatiemaatschappij. Dat is een zak met geld die wordt belegd in verschillende ondernemingen - waaronder in zijn geval twee familiebedrijven. Bij een participatiemaatschappij is het mogelijk om het begrip `winst' flink op te rekken, en dat is waar De Hond maximaal gebruik van maakt. Hij voorspelt `winst', wanneer hij nu al denkt dat over twee jaar de aandelen die zijn participatiemaatschappij gaat aanhouden in onder andere de bedrijven van zijn partner en van hemzelf meer waard zullen zijn dan op dit moment. Je maakt dus al winst, alleen maar door te beweren dat aan het eind van het jaar de beleggers zullen denken dat jouw eigendom meer waard is in de ogen van de beurs. Dat is het boekhouden van baron van Münchhausen wanneer we het toepassen op een echt bedrijf, en dat mag dus ook niet.

Unilever mag pas over winst praten wanneer u en ik meer hebben betaald voor de tandpasta dan het Unilever heeft gekost om het spul in onze winkelwagen te krijgen. In de praktijk zijn er daarbij nog wel verfijningen en kunnen bedrijven bijvoorbeeld hun investeringen uitsmeren over een aantal jaren. Een tandpasta-vulmachine die vijf jaar meegaat mag drukken op de verkoopcijfers van Unilever voor alle vijf jaar en niet alleen op het jaar waarin voor de machine werd betaald. Maar Unilever zal niet beweren dat de winst de komende jaren gaat stijgen, omdat het de tandpasta gratis weggeeft, maar zo optimistisch is om te denken dat een makelaar ieder jaar meer zal willen betalen voor het gebouw van het hoofdkantoor. En al helemaal niet wanneer Unilever geen plannen heeft om dat prachtige hoofdkantoor te verkopen. Als dat nog steeds winst zou heten voor Unilever, zouden winstprognoses niets meer waard zijn en bankiers, pensioenfondsen en investeerders ook weinig meer kunnen leren van het wettelijk jaarverslag van een bedrijf. De winst zou zich tot elk gewenst niveau laten manipuleren.

Bij een participatiemaatschappij ligt dat anders. Misschien belegt die wel in bedrijven die helemaal geen winst uitkeren maar alles terugploegen in hun eigen bedrijf, dat op die manier meer waardevol wordt. Of misschien belegt een participatiemaatschappij wel in kantoorgebouwen die duidelijk meer waard zijn dan een paar jaar geleden, ook al is de huur van de huidige huurders nog niet verhoogd. In zulke gevallen zouden we duidelijker kunnen praten over direct rendement (de huur) en herwaardering (de kantoren zijn waardevoller), maar desgewenst laat ook het begrip `winst' zich ruimer invullen dan bij Unilever.

De Hond vraagt dus geld voor een participatiemaatschappij, maar noemt die in de reclames een `bedrijf' en hanteert daarna weer een maximaal en fantasievol opgerekt begrip van `winst' dat niet zou zijn toegestaan voor een bedrijf. De bewering van De Hond dat zijn `bedrijf' zich gunstig onderscheidt van zoveel andere dot.com's omdat het nu al winst gaat maken is dus misleidend. Zijn aanloopverliezen duren gewoon de gebruikelijke drie of vier jaar – volgens zijn eigen prognoses – en worden alleen maar gecompenseerd door de bewering dat allerlei bezittingen in de ogen van toekomstige beursgangers meer waard zullen worden. Dat is niet verschillend van dot.com bedrijven die dik verlies maken maar toch hun koers kunnen zien stijgen. Het woord `winst' is daarvoor niet bedoeld. Beleggers maken eventueel `winst', maar de dot.com zelf draait verlies.

Vroeger waren de mores gezonder. Startende bedrijven gingen eerst naar privé-financiers of professionele investeringsmaatschappijen. Pas veel later werd het tijd voor een emissie op de openbare beurs. Bill Gates wachtte negen jaar totdat hij zijn Microsoft voor het eerst aandelen liet uitgeven. Toen was dat al een succesvolle onderneming met meerdere jaren omzet en winst. En toen hij uiteindelijk naar de beurs ging was er niet alleen toezicht op het prospectus maar ook op alle andere acties van belanghebbenden.

En waar is dan de STE die wordt verondersteld toezicht te houden op het taalgebruik bij de beurs? Typisch voor onze consensus-polder is een reactie van de financiële toezichthouders in de trant van `we werken aan een vrijwillige reclamecode' of `we overleggen met de sector', of `we zijn niet bevoegd'. Zo hoorde ik ook in een teleurstellend briefje van officiële zijde, toen ik twee jaar geleden op deze plaats protesteerde tegen de Postbank die in advertenties had opgeroepen tot sparen met een hoge rente terwijl het ging om een belegging in aandelen. Iedereen wist dat het woord sparen hier bewust misleidend was gebruikt, en de toezichthouders waren inderdaad niet blij, maar vonden het moeilijk om een officiële en openbare reactie te geven, laat staan om in de grijpen.

Bij misleidende of te agressieve campagnes bleven de potentiële slachtoffers tot nog toe beperkt tot binnenlandse beleggers. Maar nu lijdt Nederland door de propaganda van Nina Brink en Maurice de Hond ook internationaal schade. Roel Pieper heeft groot gelijk met zijn stelling dat slechte informatie over nieuwe beursfondsen gevaarlijk is voor de reputatie van Nederland bij buitenlandse investeerders. Solide ondernemingen die kapitaal willen aantrekken via de beurs hebben straks een handicap wanneer ze emitteren met een prospectus dat alleen maar is goedgekeurd door de STE. Je schip geregistreerd in Liberia, je bank op de Cayman-eilanden en je beursintroductie in Amsterdam. Is dat onze ambitie?