Zwaardvechters in het brokkelsteen

Geweld en rechtspraak zijn de balangijkste bestanddelen van De saga van Njál, het middeleeuwse IJslandse epos over Gunnar van het Heuveleinde en Njál; de voortreffelijke vechter en de onverslaanbare redenaar. Een klassiek ondergangsdrama in twee bedrijven.

Balzac-lezers, liefhebbers van Dickens en A.F.Th. van der Heijden, Tolstoj-verslaafden en mensen die weglopen met Zola, Proust, Thomas Mann, lezers die boeken het meest waarderen als ze door de schrijver bij de hand worden meegenomen in de avonturen van held of heldin, moeten zich voorbereiden als ze aan de dertiende-eeuwse, IJslandse Saga van Njál gaan beginnen. Het boek lijkt vertrouwd te openen: `Er was eens een man die Mord heette, die de Viool werd genoemd.' Ook de eerste zin van de volgende alinea is rustgevend: `Nu verandert de plaats van handeling van de saga naar het westen, naar de Dalen van Breedfjord.'

De uitgever leverde een kaart bij de saga, we kunnen de verplaatsingen op de voet volgen. Gaande het boek wordt er echter wel heel driftig verplaatst, tot en met tochten in de Oostzee, naar Schotland, Ierland, Noorwegen, Zweden, en Mord de Viool is niet de enige (bij)figuur in de saga. We zien Ragnar Ruigbroek voorbijkomen, Björn de Hangkous, Askel de Zwijger, Thorgeir Kloofspeer, Ivar Wijdvadem, Thorolf Waggelneus, Harald Oorlogstand, Ölvir de Kindervriend, Thorkel de Vuilbek, Eyolf Booswerkerszoon, vele anderen, en natuurlijk Orm met de Houten Neus, `maar hij komt in deze saga niet voor'. Als er vijfhonderd namen de revue passeren zou het me niet verbazen. Van de meesten vernemen we slechts de naam, in genealogieën die in lengte vaak niet onderdoen voor die in de bijbel. Er zijn trouwens wel meer overeenkomsten met het Oude Testament en dat hangt samen met het kroniekachtige karakter van Brennu-Njáls saga, zoals het boek oorspronkelijk heet. Er is geschiedenis geschreven – IJslandse archeologen menen het huis te hebben teruggevonden, waarin een van beide hoofdpersonen (`Brennu') is verbrand – en het brokkelige en onaffe van de werkelijkheid heeft zijn sporen in dit omvangrijke prozawerk nagelaten.

Er is iets voor te zeggen om zo'n ogenschijnlijk brokkelig en onaf werk te stroomlijnen naar moderne lezersbehoeften. Met een ander IJslands prozawerk uit ongeveer dezelfde periode is dat ook inderdaad gebeurd – Hrafnkels saga werd door de Zweedse auteur Per Olof Sundman geromantiseerd, gemoderniseerd en geconcentreerd tot Berättelsen om Såm (1977, in Nederlandse vertaling Het verhaal van Såm). Ik wil niets ten nadele van Sundmans roman zeggen, en hoewel hij de IJslandse paardjes heeft vervangen door four-wheel-drives is de tiende-eeuwse sfeer opmerkelijk goed bewaard gebleven. Een dergelijke bewerking van De saga van Njál van Sundmans hand zou ongetwijfeld eveneens een aangrijpende roman hebben opgeleverd, maar ook op zich biedt het sagaproza zelf een aangrijpend, vaak schitterend verhaal.

Dingplaats

De saga van Njál is omstreeks 1200 geschreven en beschrijft gebeurtenissen die in het IJsland van rond het jaar 1000 hebben plaatsgevonden, de periode waarin de bevolking overging naar het christendom. In het verhaal rond Gunnar van het Heuveleinde en Njál – de beide hoofdpersonen van de saga – vindt die kerstening halverwege plaats. In het toch al uiterst roerige IJsland brengt dat aanvankelijk alleen maar meer instabiliteit. Dat het leven op IJsland zo gewelddadig was, lijkt in tegenspraak met de zeer ontwikkelde rechtspraak, die in De saga van Njál een belangrijk bestanddeel vormt. Elk jaar kwamen de verschillende clans bijeen op de Dingplaats om geschillen op te lossen. Na talloze juridische trucs van weerszijden (Njál blijkt er een meester in) kwam men tot een vonnis, maar een uitvoerende macht ontbrak. Zodat er met een gerechtelijke uitspraak niet meer dan een juridische basis was om als klager zelf zijn recht te halen. Geweld kon legaal of illegaal zijn, gewelddadig bleef het.

Je zou kunnen zeggen dat geweld en rechtspraak de belangrijkste onderdelen zijn van De saga van Njál. De beschreven gebeurtenissen in het zuiden van IJsland beslaan grof genomen honderd jaar, en daarvan worden de highlights gemeld. Aan psychologie, landschapsbeschrijvingen, dagelijks werk op het land in vreedzame perioden wordt nauwelijks aandacht besteed. Passages zonder strijd met wapens of woorden worden afgedaan met zinnetjes als `Het volgende halfjaar bleef X thuis'.

Uit het kroniekachtige gewoel van al die zwaard-, aks-, hellebaard- en speervechters, uit alle pleidooien à charge en décharge duiken schitterende verhalen op. Bijvoorbeeld over Hrut die op reis naar Noorwegen in het bed van Gunnhild terecht komt, de moeder van de koning. Hun warme verhouding duurt een winter, in de lente blijkt Hruts liefde voor IJsland sterker. Ze laat hem gaan, maar niet zonder de mededeling dat hij een liefdesleven met anderen wel kan vergeten. Later vernemen we over de wonderlijke vloek die ze over Hruts krachtdadigheid heeft uitgesproken, als diens echtgenote verklaart waarom ze wil scheiden: `Hij kan geen gemeenschap met mij hebben zó dat ik van hem kan genieten. Zodra hij me aanraakt, is zijn lid zo groot, dat hij bij mij niet klaar kan komen.' Schitterend in de laatste hoofdstukken is ook het portret van Björn van Mork, een geboren opschepper. Hij helpt een vriend in de strijd door op diens weinig eervolle verzoek zich achter zijn rug te verschuilen en zegt dan `Ik had nooit gedacht dat ik nog eens een ander als schild zou gebruiken, maar onder de omstandigheden is het beter je gelijk te geven. Met mijn hersens en mijn snelheid kan ik de vijand nog steeds behoorlijke schade toebrengen.'

Soms is het ook een ijzingwekkende, nuchtere snedigheid die er uitspringt, meestal gevolgd door de mededeling `En hij viel dood neer'. Zo zegt een slachtoffer, kijkend naar een kortzwaard dat tot het gevest in zijn hartstreek is geplant: `Ik geloof dat het met het geluk in dit tweegevecht zo is gesteld, dat het meer aan jouw dan aan mijn kant is.' Een andere onfortuinlijke zwaardvechter merkt even laconiek op: `Het is maar goed dat die houwarm met dat zwaard erin nu machteloos is, want er is al veel leed mee berokkend.' En hij valt dood neer. Zodra een levend personage voorgoed het handelingstoneel van De saga van Njál verlaat, meldt de anonieme schrijver even laconiek `En hiermee is Y de saga uit.'

Breuklijn

Het lezen van De saga van Njál betekent een wandeling door lavalandschap – brokkelsteen met snijranden, grillige uitsteeksels, diepe kloven, en een breuklijn als die op Noord-IJsland, waar de Amerikaanse schol tegen die van Europa wringt en duwt. De blinkende held van de eerste helft van de Saga, Gunnar van het Heuveleinde, wordt halverwege het boek gedood. Dat laat de lezer dermate onthand achter dat men vroeger dacht dat De saga van Njál een samenvoeging is van een bestaande Njál- en een afzonderlijke Gunnarsaga. Niet zo'n aannemelijke veronderstelling, maar daar moet je nauwkeurig en langzaam voor lezen. Doe je dat, dan doemt het volgende literaire bouwwerk op. Een proloog van zeventien hoofdstukken van wisselende lengte, waarin het kwaad wordt gezaaid: Gunnars toekomstige vrouw Hallgerd (een diefachtig kreng) wordt geïntroduceerd, alsmede een erfenis die de kiem vormt van alle ellende en die tot ondergang van zowel Gunnar als Njál zal leiden. Dan volgen 61 hoofdstukken over opkomst en ondergang van Gunnar. Een blinkende held, als gezegd: een lange vent met een knap uiterlijk, vooruitstekende neus, blauwe, staalheldere ogen, mooi vallend blond haar en onbetwist kampioen op de onderdelen zwaardvechten, hellebaardzwaaien en boogschieten. De voortreffelijkste onder de voortreffelijken, al moeten we er bij zeggen dat wetskennis niet zijn fort is. Daar heeft hij zijn vriend Njál voor, die op andere terreinen uitblinkt: verzoeningsgezindheid, juridische scherpzinnigheid en zicht in de toekomst. Hoezeer de vete tussen beider echtgenotes hun vriendschap ook op de proef stelt, ze blijven verknocht. Een onverslaanbaar duo, ware het niet dat de wormen knagen.

Je zou De saga van Njál een `ondergang in twee bedrijven' kunnen noemen. De eerste vindt plaats als Gunnar door een overmacht wordt belegerd. Hij lijkt stand te houden, maar de pees van zijn boog breekt en een bittere scène volgt.

Oorvijg

`Geef me een streng van je lange haar,' zegt Gunnar tegen Hallgerd, de feeks waarmee hij in het huwelijk trad. `Dan vlecht ik er een nieuwe pees van.' De schrijver van De saga van Njál permitteerde zich een dichterlijke vrijheid (van haar kun je geen boogpees vlechten) voor een verbijsterend vervolg.

`Hangt er veel vanaf?' vraagt Hallgerd.

`Mijn leven hangt er vanaf,' antwoordt Gunnar.

`Dan is nu het moment gekomen om je te herinneren aan de klap die je me gaf.'

De moderne lezer is die oorvijg al lang vergeten, Hallgerd dus niet, Gunnars verzoek wordt op die gronden geweigerd en onze held sneuvelt in de strijd.

Als het om erekwesties gaat draagt niet slechts bij Hallgerd het geheugen ver, en via de verschillende, ingewikkelde vriend- en verwantschapsbanden komt het estafettestokje in verband met die ene, aanvankelijke erfeniskwestie bij Njál en diens zonen terecht. De volgende 54 hoofdstukken vertellen deel twee van de ondergangstragedie. Opnieuw met talloze personages en bijfiguren, met Njál als verzoeningsgezind middelpunt. Diens verstandige, sluwe manoeuvreren wordt echter keer op keer gedwarsboomd door het onbesuisde, hoogst gewelddadige optreden van zijn eigen zoon Ruwgeitenvel, de typisch Germaanse heiden die in De saga van Njál het dichtst het berserker-karakter nadert. Het eindigt in alweer een belegering en in een `moordbrand' - een `oneervolle' maar effectieve afrekeningsmethode.

Tenslotte krijgen we nog 27 hoofdstukken waarin de gevolgen van die moordbrand worden verhaald. De enige Njálszoon die aan de vuurdood is ontkomen, Kari, volgt de leider van de moordenaarsbende tot ver in het buitenland. Als het uiteindelijk tot een confrontatie tussen beiden komt, volgt een verzoening, waarmee na een lange moord- en doodslagreeks de angel uit de oude kwestie wordt gehaald.

Dramabouw

Hoe kroniekachtig ook, het is niet overdreven De saga van Njál een literaire klassieker te noemen. We hebben te maken met een schrijver die werkt met dramabouw en vooruitwijzingen, die zich bewust is van zijn taal en die een liefde aan de dag legt voor spreekwoordelijkheden als `Men zegt dat de hand zich niet lang verheugt over de klap' en `de neus staat dicht bij de ogen' of `De oren passen het best aan het hoofd waaraan ze zijn gegroeid'. Er is veel gespeculeerd over de identiteit van de auteur. Aan de hand van de vele briljant geredeneerde, juridische duels heeft men overwogen dat het een rechtspreker is geweest, maar historische juristen ondergroeven deze hypthese door onjuistheden aan te tonen. Als het om de ene, korte passage gaat waarin het landschap wordt beschreven in verband met een gevoel (Gunnar kijkt achterom, wordt getroffen door de schoonheid van de natuur en besluit noodlottigerwijs niet in ballingschap te gaan), zijn verbanden gelegd met de verhaaltraditie rond Alexander de Grote: misschien was onze sagaschrijver daarvan op de hoogte. Ook wordt vaak geopperd dat het een geestelijke moet zijn geweest, gezien het christelijke ethos dat uiteindelijk de overhand krijgt (`verzoening') en de klerikale stijl in sommige passages.

Vragen naar de auteurs-identiteit mogen de kern van De saga van Njál misschien niet raken, maar ik begrijp ze goed: wie dit meesterwerk aandachtig en langzaam – ik kan het niet vaak genoeg zeggen – tot zich neemt, wil meteen alles weten. In 1995 las ik dit meesterwerk voor het eerst, in de Engelse vertaling van Magnus Magnusson en Hermann Pálsson. Nu is er de Nederlandse overzetting van Edda-vertaler Marcel Otten. Voor kwaliteitscontrole ben ik niet bevoegd, niet iedereen beheerst Oud-IJslands. Ottens Nederlands lijkt op sommige plaatsen iets vlakker en formeler dan het Engels van Magnusson en Pálsson, wellicht hebben beide heren zich in die passages ongeoorloofde vrijheden gepermitteerd, maar ook Ottens Brennu Njál-versie leest probleemloos.

De Griekse en Latijnse Letteren zijn aan een nieuwe opmars begonnen, het lijkt de Renaissance wel. Ditmaal hopelijk met een Noordse appendix. Er liggen nog veel prozateksten op vertaling te wachten (bij voorbeeld de Laxdaelasaga, de Hráfnkels saga, of de Eyrbyggjasaga). Stuk voor stuk karakteristiek, on-Romeins, on-Grieks maar klassiek getoonzette geschiedenissen uit een `luidroepend vreemde wereld', waarvan we in culturele zin zijn vervreemd, maar waarin we op zijn minst in genetisch opzicht óók wortelen.

De saga van Njál. Uit het IJslands vertaald door Marcel Otten.

Ambo Klassiek, 448 blz. ƒ99,-

Cultuurgeschiedenis

    • Atte Jongstra