Waterwilgseks

Langs een oude, verlaten metaalfabriek staat een waterwilg. De lucht is grijs. Het miezert. Het voorjaar is amper aangebroken, maar de waterwilg staat al in volle bloei. Rond de bloeiende struik zoemt een hommel. Zonder dat hij het weet, zal hij de waterwilg zo meteen helpen bij de voortplanting. Geen hommel, geen waterwilgseks.

De hommel landt op een tak, precies boven op een geel katje. Een geel katje? Ja. Katjes, zo heten de bloemen van de waterwilg omdat ze net zo zacht en behaard zijn als jonge katjes. Aan de katjes kun je zien dat de hommel is geland op een mannelijke waterwilg. Deze struik heeft namelijk grijze en gele katjes. De grijze bloemen zijn nog jong en onrijp. De gele bloemen zijn rijp. Er steken allemaal gele stuifmeeldraden uit. Aan de bovenkant zijn ze bedekt met stuifmeelkorrels.

De hommel inspecteert de gele bloemen. Hij zoekt nectar. Dat is een zoete vloeistof waar hommels, bijen en vlinders dol op zijn. De nectar zit goed verstopt, diep in het katje. De hommel moet veel moeite doen om erbij te komen. Zijn kop en poten schuren langs de stuifmeeldraden. Daardoor blijven er stuifmeelkorrels aan zijn lijf plakken.

Na een tijdje heeft de hommel genoeg van de mannelijke waterwilg. Hij zoemt verder. Even later landt hij op een vrouwelijke waterwilg die een eindje verderop staat. Ook daar gaat de hommel op zoek naar nectar. Hij strijkt zijn lijf langs de katjes. De rijpe, vrouwelijke katjes zijn bedekt met groengrijze steeltjes die eindigen in een geel pluisje. Dat is de stempel. De stuifmeelkorrels op het hommellijf blijven aan de stempels plakken. Daarmee heeft de hommel, nietsvermoedend, zijn werk gedaan.

Nu gaat de stuifmeelkorrel langzaam afdalen. Hij kruipt via de stempel door de binnenkant van het steeltje naar beneden. Tot hij op de bodem van het steeltje komt. Daar ligt een eicel. De stuifmeelkorrel versmelt met de eicel. De waterwilgseks is voltooid!

Wat zich in dit ene steeltje afspeelde, gebeurt ook in de andere steeltjes. En op alle andere katjes. Is dat gebeurd, dan ondergaan de steeltjes een metamorfose. In een paar maanden tijd veranderen ze in grijze pluisjes. Dat zijn de zaadjes. De wind blaast de zaden ver weg. Ze vallen ergens op de grond en kunnen uitgroeien tot nieuwe waterwilgen.

Behalve de waterwilg zijn er nog een heleboel andere bomen die katjes dragen. Bijvoorbeeld de els, de hazelaar, de berk en de haagbeuk. Maar hun katjes staan niet rechtop, zoals bij de waterwilg. Ze hangen naar beneden. In Engeland noemen ze dat lammetjesstaarten.

Gek eigenlijk, dat katjes bloemen zijn. Want bloemen hebben meestal prachtig gekleurde felgele, paarse of witte bladeren. Voor insecten zijn die kleuren een signaal. Het betekent meestal dat er dan veel nectar te halen valt. Maar katjes hebben geen bladeren. Blijkbaar hoeven ze niet erg op te vallen, zo vroeg in het jaar. Er zijn amper planten en struiken die al in bloei zijn. Insecten kunnen rond deze tijd amper ergens nectar vinden. Ze komen toch wel bij de katjes terecht. Voor de katjes is dat handig. Seks is gegarandeerd, ook zonder die felgekleurde bladeren.