Verveellun

Max en Vera hadden een heleboel spullen en speelgoed, maar soms wisten ze toch niet wat ze moesten doen. Dit gaf een vreemd gevoel dat verveling heette. Het kwam altijd weer als een verrassing. Laatst bijvoorbeeld was het een prachtige dag en zaten Max en Vera in de tuin. De vogels kwetterden en het was nog lekker vroeg. De dag lag als een grote, besuikerde pannenkoek voor hen klaar – ze hoefden hem alleen maar op te eten.

En toen gebeurde het.

,,Ik verveel me'', zei Vera zomaar opeens. Ze zat op de rand van de zandbak en had al een paar keer een emmer vol zand geschept en weer leeg gekieperd. Nu keek ze een beetje mokkend naar Max.

,,Ik ook'', antwoordde Max na een tijdje. Hij zat op een boomstam verderop. Hij had een plastic zwaard in zijn hand en deed alsof hij een ridder was, maar waar het hem aan ontbrak, was een paard. Of aan voldoende fantasie om van de boomstam waar hij op zat een paard te maken, en van het slappe plastic zwaard een vlijmscherp supermes dat glinsterde in de zon en waarmee je honderden vijanden de kop af kon slaan.

Vera stond op.

Ze rekte zich uit.

,,We vervelen ons'', herhaalde ze, en ze gaapte nog ook. De zon was niet eens warm en nu al was ze slaperig. Verveling had ook zijn gevaarlijke kanten.

,,Vervelen'', mompelde Max langzaam, het was toch eigenlijk een mooi woord, vooral als je het langzaam zei, dan gebeurde er van alles. Eerst hoorde je VER en kon je aan vreemde landen denken, daarna kwam VEEL voorbij en dacht Max meteen aan lekker eten, en tenslotte was er LUN – een woord dat niet bestond, maar dat wel heel rond en eierig in de mond lag.

LUN.

Ver - veel - lun.

Max werd er meteen dromerig van.

Maar Vera had het minder makkelijk met haar verveling. Ze voelde zich dan wel slaperig, ze werd ook een beetje onrustig, want ze wilde dingen doen. Het was mooi weer, de dag was nog lang – je kon niet nu al gaan slapen. Maar ze wist niet wat ze wílde doen, en dat was het hem nu juist. Je kon piekeren tot je eens ons woog, daarna had je alleen maar een onsje verveling. Niet veel, maar genoeg om een dag mee in het honderd te sturen.

,,We moeten wat doen'', kreunde Vera dus tegen Max, ,,wat zullen we gaan doen? Waar heb je zin in?''

,,In niets'', zei Max, ,,in vervellen.''

,,Vervellen?'' riep Vera onmiddellijk terug, ze dacht even dat er iets aan haar oren mankeerde.

,,Vervelen'', herstelde Max snel.

,,Je zei ver-vellen'', snipte Vera beslist terug. Ze voelde zich ineens niet slaperig meer.

,,Helemaal niet'', bromde Max suf terug. Hij rolde bijna van zijn paard af. ,,Vervelen zei ik. Ver-veel-lun. Mooi woord hè?''

Vera ging in het gras zitten. Daarnet had ze nog zin gehad om allerlei dingen te doen. Ze wist niet welke, maar de zin was duidelijk. Nu had ze helemaal geen zin meer. Ze dacht aan verre, hoge bergen met besneeuwde toppen die ze nog nooit had gezien, aan veel, heel drop, vooral trekdrop en zoute griotten, en uiteindelijk aan LUN, een woord dat ze niet kende.

,,Wat is lun?'' vroeg ze.

,,Lun?'' vroeg Max verbaasd.

,,Van ver-veel-lun, sukkel'', zei Vera en ze stak een grasspriet in haar mond en ging er eens fijn op zuigen. Ze strekte zich uit in het gras.

Max liet zijn gedachten los en zag ze dobberen. Hij was benieuwd of ze met een oplossing zouden komen. Misschien wel niet, maar dat was ook niet erg.

LUN, daar ging de dag mee heen, een mooie dag die nergens toe leidde behalve dat Max en Vera het roerend met elkaar eens waren. Vervelen was mooier dan het leek.

    • Martin Bril