Tycoon in spijkerbroek

Eén blik op de platenverzameling in het appartement van David Geffen was voor David Crosby voldoende. Sfeermuziek, Mantovani. `Dus dit draai jij?', brieste Crosby tegen zijn nieuwe manager. Geffen protesteerde dat het niet zíjn platen waren, maar Crosby wilde niet luisteren. Een conflict hing in de lucht. In paniek moest Geffen een van zijn andere sterren achter de vleugel duwen om Crosby met wat moderne popmuziek te appaiseren.

De platenindustrie was een `haaienpoel', vond Crosby, maar ook zijn band had nu eenmaal een manager nodig. En Geffen leek tenminste een hippe haai: hij droeg een spijkerbroek en een T-shirt, en babbelde gewillig met zijn sterren mee over hun radicale politieke opvattingen. Hij bood geen management – een term die te veel naar geld rook – maar direction, en huichelde dat hij `zelf ook niet in contracten geloofde'. Voor een concert van Crosby, Stills, Nash and Young in New York stuurde Crosby de manager erop uit om zijn artiesten – vanuit Los Angeles – een portie hasj te bezorgen. De nerveuze Geffen liep op het vliegveld tegen de lamp, kwam met de schrik maar zonder hasj vrij, en kreeg bij aankomst met lege handen van een razende Crosby te horen: `Ik vermoord je!'

Dat was 1969. De anekdotes, afkomstig uit Tom Kings biografie The Operator, tekenen de verhoudingen tussen muzikanten en managers in dat hoogseizoen van protestsongs, psychedelica en andere `maatschappijkritische' muziek. De ouderwetse, hiërarchische platenwereld, waar artiesten weinig in te brengen hadden, moest zich opeens schikken naar de grillen van hasjrokende twintigers, en alle zeilen bijzetten om hun `tegencultuur' bij te houden in de hoop de volgende Beatles te ontdekken.

In die turbulente tijd werkte David Geffen zich op van jongste bediende bij het agentschap William Morris tot meest gewilde manager in Hollywood. Zijn loopbaan begon met een leugentje om bestwil: om een baan te krijgen in de postkamer van het agentschap vertelde Geffen dat hij familie was van de beroemde producer Phil Spector en een graad in theaterstudies had gehaald aan de universiteit van Los Angeles UCLA. Beide onwaar. Zijn werkgever trapte erin, maar deed wel navraag bij UCLA. Wekenlang verscheen Geffen een uur te vroeg in de postkamer, om het antwoord van de universiteit te onderscheppen. Ook later maakte hij zich schuldig aan fraude: als manager van Neil Young stuurde hij een verontwaardigd telegram – getekend: `Neil Young' – naar diens platenmaatschappij om een beter contract los te krijgen.

Geffen was toen al een gevestigde naam. Hij was de ontdekker van Joni Mitchel, The Eagles en Jackson Browne. Zijn platenlabel Asylum (een `thuishaven' voor artiesten die niet met `echte' zakenmensen wilden omgaan) werd toonaangevend in het singer-songwriter genre dat halverwege de jaren zeventig de Amerikaanse popmuziek domineerde.

Het was nog maar het begin. Meer nog dan zijn generatiegenoot Jann Wenner van het tijdschrift Rolling Stone, dat zich ontwikkelde van ondergronds vodje voor de subcultuur tot een lucratief glansblad, wist Geffen fortuin te maken met de alternatieve popcultuur van de jaren zestig. Hij verkocht Asylum in 1973 voor zeven miljoen dollar aan Warner Brothers, richtte in de jaren tachtig Geffen Records op, verkocht in 1990 ook dat label aan het mediabedrijf MCA, dat kort daarna werd overgenomen door het Japanse Matsushita. De waarde van Geffens aandelenpakket bedroeg toen zo'n 660 miljoen dollar.

President

Miljardair was daarna een kleine stap. Met belangen in de muziek- en filmwereld ter waarde van 1,9 miljard dollar was Geffen in 1996 een van de machtigste mannen in de Amerikaanse amusementsindustrie. Een man die Tom Cruise, Axl Rose, Kurt Cobain en vele anderen had grootgemaakt, die Steven Spielberg en Calvin Klein tot zijn intimi rekent, onlangs met zijn filmstudio het veelvuldig bekroonde `American Beauty' uitbracht, en als huisvriend van Bill Clinton wist te regelen dat zijn oude klanten Crosby, Stills en Nash ook eens in het Witte Huis werden ontvangen. Ziedaar de verhoudingen anno 2000: David Geffen kruipt niet langer voor zijn sterren, zij kruipen voor deze radical left-wing mogul.

Naar Tom Kings biografie The Operator, waaraan Geffen in eerste instantie zijn medewerking verleende, werd in Amerika dan ook reikhalzend uitgekeken. Aan de 57-jarige David Geffen kleeft inmiddels een web van Hollywood-folklore, en hoewel zijn carrière in sommige boeken al uitgebreid is beschreven (zie Fred Goodman: The Mansion on the Hill, 1997) ontbrak een volwaardige biografie. King, verslaggever van The Wall Street Journal, vermoedt dat hij door Geffen voor die klus werd uitverkoren omdat hij voor een respectabele krant werkt en bovendien net als Geffen homoseksueel is, zodat hij met meer empathie zou kunnen schrijven over Geffens verdiensten in de strijd tegen aids.

Een bijkomende overweging was vermoedelijk dat Geffen zichzelf ziet als een moderne tycoon, een Woodstock-miljardair die een feilloos zakeninstinct paart aan een voorkeur voor progressieve doelen: een charitatieve kapitalist-nieuwe stijl. Wie zou dit Amerikaanse ondernemerschap dan beter kunnen beschrijven dan de journalist van een financieel dagblad?

Geffen gaf King de vrije hand, stimuleerde kennissen om met de biograaf te praten, en zag af van zijn recht het manuscript in te zien. Halverwege ging het mis. Gealarmeerd door vrienden over de al te kritische vragen van King, weigerde Geffen verdere medewerking aan het boek. Toen King hem alsnog het manuscript toestuurde, liet Geffen weten dat de tekst zoveel fouten bevatte dat er geen beginnen aan was. De publicatie van het boek, begin maart, zorgde daarop voor het nodige rumoer in de Amerikaanse pers, die meldde dat Geffen `naar verluidt' woedend was. De magnaat zelf deed er het zwijgen toe.

Geffen zal vooral teleurgesteld zijn dat allerlei onaangename details over zijn zakengedrag en zijn moeilijke liefdesleven in het boek zijn beland. Maar een `pathografie', een haatdragende afrekening, zoals de biografieën van Albert Goldman over Elvis en John Lennon, is The Operator beslist niet geworden. Kings boek is nauwgezet en uitputtend gedocumenteerd, zijn toon eerder te droog dan sensationeel. Geffens korte liaison met Cher (door Geffen ingeleid met de opmerking: `Ik heb mijn therapeut vandaag verteld dat ik, geloof ik, verliefd op je ben') wordt omschreven als zijn `eerste volledig functionele heteroseksuele relatie'. En de veelbesproken orgie-ruimte voor VIP's in de Newyorkse disco Studio 54 heet, heel keurig, een plek `waar beroemdheden even weg konden komen van de drukke dansvloer om drugs te gebruiken en met andere beroemdheden te praten'.

Linkerbaan

Juist die zuinige toon geeft reliëf aan Geffens wilde rit op de linkerbaan van Hollywood. Eenmaal opgenomen in de top van de muziekindustrie bleef Geffen ongeremd en onorthodox opereren. Terwijl de managers van Warner Brothers – aan wie hij Asylum heeft verkocht – omzichtig elkaars terrein mijden, gaat hij in een gezamenlijke vergadering tekeer als een wildeman in spijkerbroek. Hij raast en tiert en maakt zijn collega's uit voor mislukkelingen. Het was de laatste `synergie-vergadering' bij Warner. Jaren later forceert Geffen om strategische redenen een conflict met een bevriende topman van Warner, door diens echtgenote onder de lunch aan het huilen te maken (`Weet je, ik geloof niet dat Mo echt van je houdt').

Dat gebrek aan scrupules heeft hem regelmatig in conflict gebracht met artiesten. Zijn advocaten vochten een hevige juridische strijd uit met The Eagles, die Geffen belangenverstrengeling verweten omdat hij tegelijkertijd hun manager, uitgever en platenbaas was: een wurgpositie waaraan de groep wilde ontsnappen toen het schip met geld binnenzeilde. Berucht is Geffens juridische loopgravenoorlog met Neil Young, die hij na twee geflopte albums in 1983 voor de rechter sleepte wegens het maken van `onkarakteristieke' muziek – een novum in de muziekwereld. Het werd Geffens juridische Stalingrad: Young won en keerde opgelucht terug naar zijn oude platenmaatschappij, waar hij vervolgens louter bestsellers afleverde.

Tussen de zakelijke bedrijven door wijdt King enigszins plichtmatige passages aan Geffens privé-leven: de moeizame acceptatie van zijn homoseksualiteit, gevolgd door talrijke vluchtige contacten en evenveel eenzame avonden thuis in Hollywood, in zijn herenhuis van 47,5 miljoen dollar (destijds het hoogste bedrag ooit in de VS betaald voor een privé-woning). Aan de laatste delen van het boek – over Geffens bemoeienis met de filmindustrie en zijn eigen studio DreamWorks SKG – is te merken dat Geffen zijn medewerking aan The Operator had afgebroken: deze hoofdstukken steken wat futloos af bij de voorafgaande.

Artistiek gezien is Geffens oogst na de jaren zeventig opmerkelijk weinig vernieuwend. Geffen Records teerde jarenlang op de vergane glorie van oude helden (Dylan, Elton John, John Lennon), voordat zijn nieuwe bands als Guns `n' Roses en Nirvana doorbraken. De zwarte muziek en dance-muziek van de jaren tachtig en negentig gingen nagenoeg geheel aan het label voorbij. Ook DreamWorks SKG, de filmstudio die Geffen oprichtte met Steven Spielberg en Jeffrey Katzenberg, leed de eerste jaren een kwakkelend bestaan en scoorde pas onlangs hits met `Saving Private Ryan' en `American Beauty'.

Als The Operator één ding duidelijk maakt, is het hoezeer Geffen een kind is van de jaren zestig. Als muziekproducent is hij schatplichtig gebleven aan de gitaarmuziek van dat decennium. In zijn gedrag en opvattingen vertoont hij alle kenmerken van een geslaagde babyboomer, precies zoals de Clintons, met wie hij niet toevallig zo goed bevriend is. Cultureel `links' maar comfortabel met de competitiedrift van het kapitalisme; sociaal bewogen maar individualistisch en gewend zijn zin door te drijven; politiek correct, maar opportunistisch op zakelijk gebied en pragmatisch met de waarheid.

King suggereert dat Geffen louter wordt gedreven door de zucht naar geld en macht, en dat zijn monomane ambitie iets verwerpelijks zou zijn. Fred Goodman trok in The Mansion on the Hill al veel nadrukkelijker de conclusie dat rockmuziek mede door Geffen big business is geworden. Maar die constatering doet Geffen onrecht, zoals Kings Amerikaanse critici al hebben opgemerkt. Amusement, waar popmuziek nu eenmaal toe behoort, is altijd big business geweest, met alle schimmige implicaties vandien: zie Frank Sinatra en zijn connecties met zowel de mafia als de Kennedy's. Geffen zelf heeft nooit een geheim gemaakt van zijn ambities: handenschudden met een steenrijke bankier geeft hem nu, naar eigen zeggen, een even grote kick als de eerste keer dat hij Bob Dylan zag optreden.

Tom King: The Operator.

David Geffen Builds, Buys and Sells the New Hollywood.

Random House, 670 blz. ƒ68,75