Tijd voor burgertrots

Amsterdam beleefde tussen 1870 en 1930 een uitbarsting van welvaart en cultuur zoals die sinds de zeventiende eeuw niet meer was beleefd. Het honderdjarige genootschap Amstelodamum wijdde er een jubileumboek aan.

Een mooie binnenstad is als een mooie vrouw: zij heeft vele minnaars, doch al deze minnaars hebben hun eigen redenen om haar te minnen.' Zo sprak de sociaal-geograaf Willem Heinemeyer in 1967 tijdens een bewogen hoorzitting over het welstandstoezicht in de Amsterdamse binnenstad. Hij had gelijk: Amsterdam kent talloze hartstochtelijke minnaars die zich inzetten voor het behoud van hun stad. Een ervan is het eerbiedwaardige Genootschap Amstelodamum dat deze maand honderd jaar geleden werd opgericht `ter bevordering van de kennis van heden en verleden van Amsterdam'.

Tot de eerste daden van Amstelodamum behoorde de redding van de Reguliersgracht. Het was de tijd van de grote doorbraken. Ten behoeve van een verkeersader naar het in 1889 geopende Centraal Station aan het open havenfront waren de Nieuwezijds Voor- en Achterburgwal gedempt en in de jaren rond de eeuwwisseling zette de discussie over de verbindingswegen met het hart van de stad zich voort. Uiteindelijk werden twee doorbraken uitgevoerd: de Raadhuisstraat en de Vijzelstraat. Vanaf 1901 woedde de strijd om de demping van de Reguliersgracht, waartegen Amstelodamum met succes ageerde: de gemeenteraad besloot in 1907 met 32 tegen drie stemmen deze schilderachtige gracht inclusief de boogvormige bruggen voor de stad te behouden.

Dit is meteen de enige heldendaad van Amstelodamum die wordt vermeld in het schitterend geïllustreerde boek Amsterdam in de tweede Gouden Eeuw, dat het Genootschap ter gelegenheid van zijn honderdste verjaardag heeft uitgegeven. Weliswaar is het een beetje een opschepperige publicatie, maar de borstklopperij heeft geen betrekking op de eigen vereniging. In veertien essays belichten deskundige minnaars en een enkele minnares van Amsterdam de bloei die de stad tussen 1870 en 1930 op tal van terreinen doormaakte: een uitbarsting van welvaart en cultuur zoals die sinds de zeventiende eeuw tussen Amstel en IJ niet meer was beleefd.

Kunsthistoricus Boudewijn Bakker, hoofdconservator van het Amsterdamse gemeentearchief, beroept zich in zijn bijdrage `De stad in beeld', over de literaire en schilderkundige explosie van die dagen, terecht op Herman Gorter. Als geen ander bracht de grootste dichter van de tweede Gouden Eeuw onder woorden welke indruk de spectaculaire verandering van Amsterdam op hem en zijn generatiegenoten maakte. `Wij hebben gezien, hoe geheel Amsterdam zich hervormde van een 17de en 18de eeuwsche stad met haar hoeken en grachten en straatjes van klein handwerk, tot een stad van magazijnen en groot-handwerk en fabriek. Wij hebben de groote ekonomische veranderingen gezien in middelen van verkeer. Wij hebben het groot-kapitaal zien neerstrijken in de stad, en de buitenwijken zien groeien met hun honderdduizenden proletariers. (-) Wij waren zeer jonge kinderen terwijl dat gaande was, met oogen zo gevoelig als water. Er ging geen oogenblik voorbij, dat niet iets van die nieuwe krachten zich in ons voortplantte. [-] Al onze zinnen, ons hart, ons hoofd, onze handen, ons geslacht werden er door geraakt.'

Amsterdam werd bemind, ook door de dichters en schilders van Tachtig, die fysiek opgewonden raakten van de uitbundige bloei van hun stad. Wat zij met hun gevoelige ogen waarnamen, was ook niet niks. Na bijna een eeuw van stilstand en achteruitgang begon Amsterdam, toen nog denigrerend `de hoofdstad van Polderland' genoemd, zichzelf in de loop van de jaren zestig uit het moeras omhoog te trekken. Er gloorde economisch herstel. De opkomst van Duitsland als industriële mogendheid en de opening van het Noordzeekanaal hadden van Amsterdam weer een wereldhaven gemaakt, terwijl de particuliere handel tot bloei kwam na de opheffing van het Nederlands-Indische cultuurstelsel. Tussen 1860 en 1890 groeide de Amsterdamse bevolking van 260.000 tot 430.000 mensen. Deze groei leidde tot de eerste omvangrijke stadsuitbreiding sinds de Gouden Eeuw. Buiten de Singelgracht verrezen vanaf omstreeks 1870 in hoog tempo nieuwe volkswijken: de Pijp in het zuiden, gevolgd door de Kinker- en Staatsliedenbuurt in het westen en de Dapper- en Indische buurt in het oosten. In het centrum werd aan heuse `cityvorming' gedaan, waarbij woonhuizen plaats moesten maken voor kantoren, warenhuizen en horeca.

Michiel Wagenaar, sociaal-geograaf, beschrijft in het openingsessay van De tweede Gouden Eeuw (`De stad ontworpen') dat Amsterdam tot ver in de negentiende eeuw nog slechts in naam hoofdstad van Nederland was. Zonder noemenswaardige financiële middelen en zonder de uitbundige overheidssteun waar regeringscentra en universiteitssteden als Parijs en Brussel zich in konden verheugen, waren er weinig mogelijkheden om de stad aanzien te verschaffen. Het ontbrak aan allerlei publieke voorzieningen en wat betreft lommerrijke woonwijken, chique winkels en sociëteiten kon Amsterdam niet tippen aan steden als Haarlem en Den Haag. Deze in het oog springende omissies kwetsten wat Wagenaar de Amsterdamse `burgertrots' noemt.

Een beroep op die burgertrots bleek al spoedig veel geld in het laatje te kunnen brengen, bijvoorbeeld in 1864 toen een groep vermogende Amsterdammers het initiatief nam om een nieuw wandelpark aan de zuidwestelijke stadsrand te stichten. Het Vondelpark ging in 1877 open, hetzelfde jaar waarin het streven naar een gemeentelijke universiteit werd bekroond. Het oude Athenaeum Illustre van Barlaeus en Vossius, dat dateerde uit de eerste Gouden Eeuw, kreeg dankzij de inspanningen van de burgerij eindelijk volwaardige examen- en promotierechten. In de jaren daarop werd Amsterdam verder opgetuigd met bewijzen van culturele verknochtheid van zijn burgers. Het Concertgebouw, dat in 1888 zijn deuren opende, groeide al snel uit tot een van Europa's vooraanstaande muziekpodia, een legaat maakte de stichting van het Stedelijk Museum (voltooid in 1894) mogelijk en samen met het uit 1888 daterende Rijksmuseum, resultaat van een inzameling, werd het Museumplein een brandpunt van cultuur.

Het essay `De culturele stad', een bijdrage van de historicus Jan Bank, speelt zich voornamelijk af op dit plein, dat in 1887, blijkens een tekening van H.W. Beyerink, niet veel meer was dan een troosteloze grasvlakte met sloten en aan de horizon eenzaam en alleen het concertgebouw in wording. Zou de Deense architect die het Museumplein onlangs `herprofileerde' deze tekening als voorbeeld hebben gebruikt?

Bank beschrijft de opbloei van de Amsterdamse kunsten in navolging van Caspar Barlaeus vanuit het perspectief van de mercator sapiens, wiens aandacht niet uitsluitend is gericht op commerciële transacties maar ook op wetenschap, wijsbegeerte en schone kunsten. En passant geeft hij een prachtig inkijkje in de samenstelling van het Amsterdamse mecenaat dat in de negentiende eeuw een drastische wijziging onderging. De geldschieters waren zowel de aloude regenten, uit families die al in de Republiek op het kussen zaten, als nieuwkomers. Van groot belang voor de ontwikkeling van de stad was dat de grenzen tussen de oude en nieuwe elites vaag waren. `Het behoort tot de kracht van Amsterdam', zo citeert Bank de economisch-historicus Joh. de Vries, `dat de stad voortdurend op alle gebieden van geest en goed open heeft gestaan voor talentvolle en geslaagde nieuwkomers en voor hen een plaats heeft ingeruimd aan de bestuurstafels.' Wat de oude en nieuwe mecenassen voor Amsterdam en in het bijzonder voor zijn kunst- en muziekminnende burgers hebben betekend, komt gedetailleerd aan de orde, onder andere aan de hand van korte biografietjes van de zes stichters (en geldschieters) van het Concertgebouw, dat pas in 1916 overheidssubsidie kreeg. Toen behoorde het Concertgebouworkest – ontstaan uit `gekwetste burgertrots' – al geruime tijd tot de beroemste muziekgezelschappen ter wereld.

Burgertrots – het is een mooi begrip dat in allerlei opzichten bepalend blijkt te zijn geweest voor Amsterdams tweede bloeiperiode. Gorter, die zijn observatie over de zich transformerende stad opschreef toen hij zich net had bekeerd tot het marxisme, zou zich met dit woord geen raad hebben geweten. Hij had het boek Amsterdam in de tweede Gouden Eeuw ook beslist niet kunnen waarderen, omdat het voornamelijk handelt over de gevolgen van burgertrots en daarmee over de betekenis van de Amsterdamse elite. Het door de dichter veelvuldig bezongen proletariaat, dat ondanks de hoogconjunctuur bleef kwijnen in de sloppen van de Jordaan, de eilanden, de jodenbuurt en later ook in nieuwe wijken als de Pijp, komt nauwelijks aan bod. Zelfs niet in het door Gorters biograaf, Herman de Liagre Böhl, geschreven hoofdstuk `De stad bestuurd' over het gemeentebeleid. SDAP-wethouders als Wibaut en De Miranda, die gedurende de jaren twintig en dertig de stad bestuurden, worden – met al hun verdiensten – toch vooral getypeerd als `rode regenten'.

Minstens zo belangrijk voor de opbouw van de gemeentelijke voorzieningen gedurende de tweede Gouden Eeuw waren de liberale voorgangers van de sociaal-democratische wethouders, in het bijzonder de liberale radicaal M.W.F. Treub. Böhl signaleert een `paars' Amsterdams beleidsmodel van zowel liberale als socialistische signatuur dat gericht was op bestaanszekerheid, een behoorlijk levenspeil voor iedereen en algemene beschikbaarheid van sociale voorzieningen. Al in de jaren zestig van de negentiende eeuw waren liberale stadsbestuurders begonnen met de opbouw van de moderne verzorgingsgemeente. In de jaren twintig van de volgende eeuw namen de socialisten, sinds de invoering van het algemeen kiesrecht de grootste fractie in de gemeenteraad, dit project over. Zij maakten de stad tot `rode proeftuin' van modern gemeentelijk bestuur. Onder hun leiding verdwenen in korte tijd de scherpe kanten van de woningnood: alleen al in de jaren 1921-'26 werden 39.000 woningen gebouwd. Ook verrees het beroemde Plan-Zuid van de architect H.P. Berlage.

Böhl geeft een interessant overzicht van allerlei andere maatregelen van de Amsterdamse SDAP-bestuurders, maar tekent daarbij aan dat hun beleid niet specifiek socialistisch was en zich in de praktijk nauwelijks onderscheidde van dat van andere hervormingsgezinde partijen in de hoofdstad. Weliswaar vonden de sociaal-democraten zelf dat hun politiek, vooral op het gebied van de volkshuisvesting, de verheffing van de arbeidersklasse diende, maar het waren alleen de geschoolde en georganiseerde arbeiders die hiervan profiteerden. De huurprijs van de sociale woningbouw was uitsluitend betaalbaar voor de bovenlagen van de arbeidersbevolking. De armen, wier levensstijl te veel afweek van de fatsoenlijke norm, bleven in hun overbevolkte krottenwijken of kwamen terecht in speciaal voor hen gebouwde complexen. De opvoeding in zulke `woonscholen' was gericht op `het vormen van nette gezinnen, het maken van geregelde betalers, het vormen van rustige kalme bewoners'.

Over wat er precies werd gebouwd en gesloopt in het Amsterdam van die jaren schreef de architectuurhistoricus van het Gemeentelijk Bureau Monumentenzorg Vincent van Rossem het opstel `De stad gebouwd'. Hij is prettig kritisch over de ingrepen die er toe geleid hebben dat bijvoorbeeld de verstilde charme van de Warmoesgracht heeft moeten plaatsmaken voor de Raadhuisstraat. Daaruit bleek volgens hem al dat men in Amsterdam totaal niet in staat was iets te bouwen dat kon wedijveren met de allure van de Parijse boulevards van Haussmann. De grote vraag is of het ook anders had kunnen worden aangepakt. `Stel dat de Nieuwezijds Voorburgwal en al die andere grachten niet gedempt waren, stel dat de Raadhuisstraat er niet zou zijn, en evenmin het halve werk van de Vijzelstraat, zou Amsterdam dan ten dode opgeschreven zijn?' Zijn antwoord luidt dat inmiddels vriend en vijand vinden dat autosnelwegen door een oud stedelijk bouwwerk geen goed idee zijn.

Dat inzicht kwam veel te laat. Voor grote delen van de oude binnenstad had de veelgeprezen burgertrots trouwens nog veel ergere gevolgen kunnen hebben, zo blijkt wel uit de bijdrage `De stad behouden' van de cultuurhistoricus en voorzitter van Amstelodamum Wim Vroom. Hij beschrijft hoe Amsterdam in een staat van euforie over de vooruitgang zich in de jaren 1860-1870 begon te schamen voor zijn grachten. die vooral in de Jordaan een bron van stank en besmetting waren. De demping van de Goudsbloemgracht en de inwijding van de Willemsstraat in 1857 was aanleiding tot een groots volksfeest en ook de omtovering van de smerige Anjeliersgracht tot de brede Westerstraat werd met instemming begroet. Bijna was zelfs de deftige Keizersgracht ten prooi gevallen aan de droogleggingsmanie. Vanuit de burgerij kwam het voorstel om deze gracht te veranderen in een fraaie wandelweg naar Brussels voorbeeld, de Keizersbaan, met een ruiterpad en plaats voor een `tramway'.

Gelukkig kwam er als reactie op dergelijke vormen van `stedenschennis', zoals de schilder Jan Veth al dat dempen, breken en slopen bestempelde, in de jaren tachtig een beweging op gang: de burgertrots richtte zich niet alleen meer op vernieuwing maar ook en in toenemende mate op verfraaiing van de stad en op behoud van het historische erfgoed. Bij de voorgenomen demping van het Spui en de Nieuwezijds Voorburgwal leidden de protesten voor het eerst tot een publieke discussie, die in 1883 op het nippertje door de voorstanders van het dichtgooien van beide grachten werd gewonnen. Kort daarna kwam bij de weldenkende, vrijzinnig-liberale burgerij het streven naar voren om organisaties op te richten ter verdediging van het stedenschoon. Deze organisaties waarvan Amstelodamum er slechts een was, traden steeds meer op als pressiegroepen, maar, zo schrijft Vroom, het zou tot de jaren zestig van de twintigste eeuw duren voordat in wijkcomités en actiecomités de `volkswil' echt een stem zou krijgen.

Hadden echt alleen de rijke burgers iets te vertellen over hun stad? Aan de geschiedenis van de arbeidersbeweging in Amsterdam of de emancipatie van het joodse proletariaat wordt geen aandacht besteed. Weliswaar is er een uitvoerige bijdrage van historicus Piet de Rooy over `De lastige stad', maar die gaat voornamelijk – de titel die naar een uitspraak van burgemeester Van Hall verwijst zegt het al – over de Provobeweging van de jaren zestig. Merkwaardig in een boek dat de bloeiperiode tussen 1870 en 1930 beschrijft. Onder de noemer van de `gezagshandhaving' in Amsterdam springt De Rooy met grote sprongen van het Palingoproer in 1886 (26 doden), het Jordaanoproer van 1934 (zes doden) naar de Provorellen en het Bouwvakkersoproer van juni 1966 en de metrorellen van de jaren zeventig. In dit overzicht ontbreken de bloedig neergeslagen demonstraties van november 1918, de februaristaking van 1941 en allerlei andere uitingen van sociaal protest ongenoemd. De Rooys conclusie is dat het tijdens de tweede Gouden Eeuw en speciaal rond de eeuwwisseling `rustig' was in Amsterdam (ook tijdens de spoorwegstakingen en de staking tegen Kuypers `worgwetten' van 1903?) en dat de legendarische `lastige Amsterdammer' pas in later tijden is opgestaan.

Dat is waar als met de `lastige Amsterdammers' wordt gedoeld op de zich met alles bemoeiende buurtbewoners, hun actiegroepen en comités. Zij kwamen in de plaats van de burgers wier gekrenkte trots de stad tot aan het uitbreken van de crisis van de jaren dertig groot heeft gemaakt. Veel rijke Amsterdammers keerden de stad die zij tot bloei hadden gebracht de rug toe, om zich te vestigen in het Gooi of in Aerdenhout en omstreken. Het mecenaat verdween, geen burgertrots hield de wederopbouwwet van 1950 tegen waardoor hele stadsdelen (de Oostelijke eilanden, de Weesperstraat) in één klap onteigend en gesloopt konden worden. De jaren zestig brachten een nieuwe groep trotse burgers op de been, die in niets leek op de deftige ingezeten van weleer met hun keurige particuliere organisaties. Zij zorgden ervoor dat niet alleen de grachtengordel op bescherming kon rekenen, maar ook de nog bestaande oude volkswijken. Provo, Kabouter, het studentenprotest vormden, zoals Michiel Wagenaar schrijft, de voedingsbodem voor stedelijke contestanten die er in slaagden enkele zeer grootschalige sloopprojecten te blokkeren. Zo ontsnapte de Jordaan aan een algehele verwoesting die ruimte moest maken voor een `frisse tuinstad' ter plekke. Er kwam een proces van stadsvernieuwing op gang dat het bestaande zoveel mogelijk wil behouden. Maar als er iets blijkt uit deze veelzijdige bundel, is het dat zo'n `behoudenswaardige stad' veel complexer is dan in de dagen van de oprichting van Amstelodamum. De trotse elitaire burger met ideeën en geld om ze uit te voeren, heeft plaatsgemaakt voor allerlei belangengroepen, machtige en minder machtige.

Er wordt nog altijd van de Amsterdamse binnenstad gehouden, maar de minnaars hebben nog veel meer uiteenlopende redenen voor die liefde dan voorheen. Amsterdam is niet meer monogaam en dat maakt volgens Wim Vroom de afwegingsprocessen- en procedures er niet eenvoudiger op. Het lijkt me eufemistisch uitgedrukt `niet meer monogaam'. Wie om zich heen kijkt (op het Damrak, het Rokin, het Rembrandtplein, de Leidsestraat) ziet hoe de verloedering toeslaat. Amsterdam in de tweede Gouden Eeuw einidigt dan ook terecht met een appél: `het blijft een taak van Amstelodamum op te komen voor de gelaagdheid en veelvormigheid van Amsterdam, zoals het in de loop der eeuwen is geworden'.

Mooi gebruld leeuw, maar hoe wil zo'n klein en machteloos genootschap op den duur voorkomen dat het Concertgebouw of het Stedelijk Museum (Audi!) in handen komt van het bedrijfsleven, en dat de binnenstad het exclusieve domein wordt van speculanten en toeristenindustrie? `Burgertrots', in welke vorm dan ook, van deftige en lastige Amsterdammers of van allebei samen, is een vruchtbare emotie gebleken, maar ze moet wel worden gemobiliseerd.

Martha Bakker, Renée Kistemaker, Henk van Nierop, Wim Vroom en Piet Witteman (red.): Amsterdam in de tweede Gouden Eeuw. THOTH, 438 blz ƒ75,-