Tango, Maradona en de leegte

Dertig jaar geleden las half Nederland de speurdersverhalen van het Zweedse schrijversechtbaar Sjöwall en Wahlöö, niet alleen omdat ze spannend waren maar ook omdat ze een linkse levensvisie uitdroegen. Dat was in overeenstemming met de tijd en een welkome afwisseling in het detective-genre, dat traditioneel getuigde van op zijn best een bezadigd conservatisme en op zijn slechtst van een nauwelijks verhuld fascisme. Het ogenschijnlijke anarchisme van sommige speurdershelden deed daar weinig aan af.

In de thrillerreeks rond de speurder Pepe Carvalho laat de Spaans-Catalaanse schrijver Manuel Vázquez Montalbán dit anarchisme samenvloeien met de linkse signatuur van Sjöwall en Wahlöö. Carvalho is een privé-detective naar het model van Philip Marlowe: slonzig bureau, twijfelachtige vrienden en altijd krap bij kas. Maar tegelijk is hij een belezen man, al gebruikt hij zijn boeken alleen nog om de kachel mee aan te steken omdat ze voor het leven maar van weinig nut blijken. Hij is een goede kok, voor wie truffels en orgaanvlees zijn wat orchideeën waren voor Nero Wolfe. En hij is op een wanhopige manier links, zich vastklampend aan een nasmeulend geloof in elementaire gerechtigheid, al durft hij dat woord niet in de mond te nemen.

Met zijn boekenverbranding vormt Carvalho de ironische tegenbeeld van Vázquez Montalbán, die al dertig jaar lang in een verbijsterend tempo poëzie, romans, essays en theaterwerk produceert. Een handvol romans is in het Nederlands vertaald: Galíndez, over de moord op een Baskische politicus in ballingschap in 1956; De pianist, over het leven van bohémiens en anarchisten tegen de politieke verdrukking in; de bijtende en ontluisterende Autobiografie van Generaal Franco en een drietal delen uit de Carvalho-reeks.

Maar voor de rest hebben Vázquez Montalbán en zijn speurdersheld veel overeenkomsten. Hun liefde voor de keuken is er één van. Vázquez Montalbán is in Spanje een belangrijke gastronomische schrijver en onwillekeurig stel je je Carvalho voor met het gezette postuur en de forse snor van zijn bedenker, al willen Spaanse en Italiaanse verfilmingen van zijn boeken anders. In linkse signatuur is de migrantenzoon Vázquez Montalbán (een zoon van Galicisch-Andalusische ouders in Catalonië) zo mogelijk nog uitgesprokener dan zijn held. Zijn columns in de Spaanse dagbladen lijken soms te stammen uit een tijd waarin het onderscheid tussen links en rechts nog gemakkelijker te maken was en bijna samenviel met goed en kwaad.

In Tango in Buenos Aires, het 21-ste deel uit de Carvalho-reeks en het derde dat daarvan in het Nederlands is vertaald, komen al die dingen samen. Carvalho krijgt van zijn oom de opdracht in Buenos Aires te gaan zoeken naar zijn neef Raúl Tourón, die na jaren van Spaanse ballingschap naar Argentinië is teruggekeerd en vervolgens verdween. In Buenos Aires wordt Carvalho geconfronteerd met de clichés die met die stad samengaan: tango, Borges, Maradona en de leegte. `De leegte die is achtergebleven nadat dertigduizend mensen `verdwenen' zijn,' zoals Carvalho tijdens een banket met de plaatselijke oligarchen zegt.

In zijn zoektocht rakelt Carvalho heel wat modder op: niet alleen het drama van de gemartelden en vermoorden, maar ook dat van hun ontvoerde kinderen, de dubbelhartigheid waarmee sommige slachtoffers compromissen sloten met hun folteraars en de ongewisheid van het politieke oordeel over het verleden. Want hoe resoluut de politieke visie van Vázquez Montalbán ook mag zijn, in zijn romans ontkomt hij niet aan de ideologische verwarring die de ontbinding van het rode ideaal met zich heeft meegebracht. Raúl Tourón is geen schuldeloos slachtoffer. Zijn vervolging draait meer om geld dan om ideeën, en als het om ideeën gaat, dan zijn het vooral de resultaten van het sinistere psychologische onderzoek naar repressietechnieken dat hij zelf heeft verricht.

Die dubbelzinnigheid vertonen veel van de figuren waarmee Carvalho in Buenos Aires in aanraking komt, met uitzondering van de militairen en de `oligarchen', en van de twee voornaamste vrouwenfiguren in het boek: de literatuurdocente Alma, die als activiste haar baby verloor, en haar studente Muriel die door een van de folteraars van het regime werd grootgebracht en wier afkomst zich snel laat raden. In de afwerking van zijn boeken is Vázquez Montalbán vaak nogal gehaast en aan sjablonen ontbreekt het ook in Tango in Buenos Aires niet. Maar de authentieke woede van waaruit het boek geschreven is, tilt het boven die voorspelbaarheid uit. Dat het verscheen op het moment waarop Augusto Pinochet in Londen werd aangehouden, was toeval, maar gaf het een gepaste actualiteit.

Voor Carvalho is de leegte die het `Proces' in Argentinië (net als in Chili) heeft achtergelaten, te groot om te vergeten, niet ondanks maar juist vanwege zijn eigen politieke ontgoocheling en cynisme. Als de wereld zich niet echt laat verbeteren en grote boekenwoorden voor het leven van weinig belang zijn, worden gerechtigheid en fatsoen er alleen maar belangrijker door. Dat fatsoen is minder een zaak van `politiek' links dan van `moreel' links, dat zich door de teloorgang van de grote idealen misschien nu pas kan laten gelden. Op een moment waarop de politiek een dictator vrijlaat die door het gerecht vervolgbaar wordt geacht, is dat een hoopvolle gedachte.

Manuel Vázquez Montalbán: Tango in Buenos Aires (Quinteto de Buenos Aires). Uit het Spaans vertaald door Francine Mendelaar. Signature, 443 blz. ƒ37,50

Buitenlandse literatuur