Strop afval dreigt voor gemeenten

De Nederlandse gemeenten lopen een financieel risico van jaarlijks ongeveer 250 miljoen gulden als over enkele jaren de Europese binnengrenzen voor een deel van het afval opengaan.

De kans bestaat dat bij het opengaan van deze grenzen een deel van het afval dat nu nog in de elf Nederlandse afvalverbrandingsinstallaties (avi's) wordt verwerkt, naar landen verdwijnt die goedkopere tarieven hanteren.

Dit stelt het Onderzoekscentrum Financieel Economisch Beleid (OCFEB) van de Erasmus Uiniversiteit in Rotterdam. Het bureau doet onderzoek naar de gevolgen voor het openstellen van de afvalgrenzen voor de Nederlandse gemeenten.

Veel Nederlandse gemeenten zitten vast aan contracten met de avi's, die soms bepalen dat alle verliezen die de avi's lijden voor rekening van de gemeenten komen. Welk deel van het afval als middel tot nuttige toepassing straks vrij verhandeld mag worden, is nog onderwerp van discussie binnen de Europese Commissie.

Het Afval Overleg Orgaan (AOO) waarin rijk, provincies en gemeenten samenwerken, verwacht dat de Commissie binnen enkele maanden met een besluit komt. Vermoedelijk zal daarbij een kwart van het afvalaanbod als nuttige toepassing worden betiteld en derhalve vrij zijn voor de Europese markt.

De tarieven in vele EU-lidstaten zijn lager, omdat er anders dan in Nederland geen stortverbod geldt en er geen hoge milieuheffingen worden berekend. Ook telt Europa relatief veel verbrandingsinstallaties die aan minder strenge emissienormen hoeven te voldoen dan de Nederlandse, en worden de Europese richtlijnen voor emissies niet altijd nageleefd.

De Rotterdamse onderzoeker E. Dijkgraaf noemt als goedkopere landen onder andere Engeland, Ierland, Spanje en Portugal. Ook Duitsland is goedkoper. In Nederland ligt het tarief voor verbranden van afval tussen de 180 en 240 gulden per ton.