Kerosine in de keuken

Ruim een jaar geleden overleed Karel van het Reve. Max Pam herdacht hem, in HP De Tijd, met een mooi in memoriam. Daarin kwam één zin voor waaraan ik bleef haken. Pam over Van het Reve: `Hij was in zijn optreden misschien een ouderwetse burgerman, maar op zijn begrafenis vertelde een van zijn leerlingen dat hij zich nogal wat moeite had getroost om aan te tonen dat het woord ``benzinedampen'' voor het eerst in de poëzie opduikt in een gedicht van Mandelstam.' Wat het één (ouderwets burgermansgedrag) met het ander (benzine, poëzie, Mandelstam) te maken had, of juist niet, ontging me, ook na herhaalde herlezing. Blijkbaar school er iets onaangepasts of antiburgerlijks in de belangstelling voor benzinedampen – en zeker als die gezocht werden in een gedicht. Echt ouderwetse burgermannetjes houden alleen van kant en klare gedichten over rozen, nachtegalen, lente en verlangen, maar niet van onvindbare verzen over motoren, benzine en verbrandingsgassen – was dat de bewering? Zo ja, dan zagen wij hier de oude romantische tegenstelling tussen mens en machine, natuur en industrie, zuivere gevoelens en vervuiling. Misschien wilde Pam met het navertellen van deze anekdote aannemelijk maken dat zich onder de ouderwets burgerlijke buitenkant wel degelijk een romanticus Van het Reve had opgehouden? Of moest hieruit eerder het beeld van een verstrooide professor met vreemde interesses oprijzen, een bevlogene, wel degelijk gegrepen door zijn vak – in tegenstelling tot het van hem overgeleverde beeld van Hollandse nuchterheid?

Hoe dan ook – het benzinedampenonderzoek leek mij interessant en belangwekkend genoeg. Hoe zou je dat eigenlijk ooit kunnen `aantonen': dat een woord voor het eerst in een gedicht opduikt? Dat kan alleen als je zeker weet dat het om een neologisme gaat. Ik nam me voor er nog eens achteraan te gaan, achter de benzinedampen, maar kreeg nog dezelfde dag, op zoek naar heel iets anders, toevallig een gedicht van de genoemde Mandelstam onder ogen, vertaald door Peter Zeeman. Daarin kwam dan weliswaar geen benzine voor, maar wel kerosine, en zelfs zoet ruikende kerosine, waarvan de geur in een keuken werd opgesnoven:

In de keuken is het warm en goed.

Kerosine ruikt weldadig zoet,

scherp het mes en kogelrond het brood ...

Draai als je dat wilt de primus hoog,

of bind anders met wat stukken touw

onze reismand dicht voor dag en dauw,

om op weg te gaan naar een station,

enkel vindbaar voor de ochtendzon.

Merkwaardige regels, die beginregels, althans voor mijn taalgevoel. Kerosine? In de keuken? Kerosine leek mij brandstof die was voorbehouden aan vliegtuigen, en dan vooral aan hele grote. Kerosine in de keuken: dat is net zoiets als een kernreactorvat in de CV-kast, een shovel in de moestuin, een Leopard-tank als vogelverschrikker. Dit gevoel van overdrijving werd door de naslagwerken voor een deel wel bevestigd. Kerosine is met de snelle ontwikkeling van de straalmotor voor de luchtvaart na de oorlog inderdaad synoniem geworden met vliegtuigbenzine, maar voor 1950 blijkt het een vrij alledaags woord te zijn geweest voor lampolie of petroleum. Mandelstams gedicht dateert van 1931; in de Russische tekst staat inderdaad `kerosin'.

Maar ook met deze wetenschap blijft er iets wringen. Eerst al eens in die eerste regels: tegenover de gesuggereerde warmte en de geborgenheid staat toch ook al meteen het scherpe mes en het kogelronde brood. En vervolgens wringt er ook wel iets tussen de eerste twee strofen en de laatste twee. Wil hier iemand binnen blijven (warmte, keuken, brood) of juist naar buiten gaan (kou, nacht, station)? Knusjes schurken rond de pruttelende primus, of opgejaagd en ongezien de anonimiteit in vluchten?

In het Nederlands klinkt het als een vriendelijk versje, misschien zelfs wel als een liefdesgedicht, met die romantische vlucht in de nacht naar een onvindbare plek. Je zou je er een lied van bijvoorbeeld Abel of Guus Meeuwis bij kunnen voorstellen. Leuk is voor Nederlandse lezers ook de overeenkomst met Martinus Nijhoffs `Impasse': twee mensen in de keuken, kookgeluiden, geuren, en een moeilijk woord (glycine). Maar voor Russische lezers zijn er heel andere bijgedachten. Mandelstams gedicht is pas tegen het eind van de jaren vijftig bekend geworden. In Rusland is het altijd gelezen als het verslag van een door de vervolgingen onder Stalin opgejaagde dichter, bevreesd voor arrestatie, nergens meer veilig, ook niet meer in de eigen keuken, en misschien alleen nog maar incognito op een groot station. En altijd zijn deze regels gelezen tegen de achtergrond van het schrijnende lot dat de dichter spoedig daarna zou treffen: arrestatie in 1934, verbanning, werkkamp, terugkeer, tweede arrestatie, transport naar Siberië, dood in 1938. `In de keuken' is geen liefdesliedje – het is een angstvers.

Op 22 november van het vorig jaar las Maarten `t Hart `een gedicht van Mandelstam dat ik na één keer lezen meteen uit het hoofd kende', zo schrijft hij in zijn net verschenen kroniek Een deerne in lokkend postuur. Het is het keukengedicht, maar in een iets andere versie:

In de keuken zetten wij ons neer,

jij en ik, en verder niemand meer.

Het mes is scherp en brood is er volop ...

Pomp gerust de primus nog eens op,

of bind anders voor het morgenlicht,

met een stukje touw de koffer dicht,

want dan nemen we de eerste trein

naar een plek waar we onvindbaar zijn.

Omwille van het rijm moest de kerosine hier blijkbaar wegvallen. Er was ook geen plaats meer voor de zoete geur ervan, of voor de damp, of voor een verwant woord als petroleum of benzine. De vertaling was van de hand van een groep Leidse slavisten, onder wie frappant genoeg ook Karel van het Reve.

Nederlandse literatuur