Ik zal het nooit meer doen

Bariton Dietrich Fischer-Dieskau liet zich drijven op de vleugels van zijn stem en zocht onverdroten naar de band tussen woord en muziek. ,,Noemt men mij de meest invloedrijke zanger van de vorige eeuw? Nou, nou.''

Dirigent Herbert von Karajan noemde hem ooit `de ultieme renaissance-mens'. Een uomo universale die als zanger, dirigent en schrijver het geluk trof dat zijn liefdes elkaar niet beten, maar versterkten. Zelf spreekt Dietrich Fischer-Dieskau liever in wat nederiger termen. Voor zijn laatste rustplaats mag te zijner tijd met de aanduiding `musicus' worden volstaan.

Zijn interpretaties van opera, liederen, oratoria en eigentijdse muziek maakten Fischer-Dieskau (Berlijn, 1925) tot een levend ijkpunt voor collega's en voor liefhebbers, die zelfs het podium besprongen om hem de voeten te kunnen kussen. ,,Ik heb een beetje medelijden met mijn publiek, voor wie ál mijn platen nu weer op cd verkrijgbaar zijn'', zei hij dinsdagavond met een twinkellach bij het in ontvangst nemen van zijn Oeuvre Edison. ,,Maar ik beloof u plechtig: ik zal het nooit meer doen.''

Zeven jaar geleden trok Fischer-Dieskau zich als zanger terug, na vijftig bejubelde jaren op het toneel. Een opname van Schuberts Winterreise, het werk dat hij in zijn leven veelvuldig zong en vastlegde, oogstte venijnige kritieken van journalisten die voordien slechts zijn lof hadden gezongen. De stem deed niet meer wat het hoofd wilde, en daarom moest er een einde komen aan een zangcarrière waarvan perfectionisme steeds de motor was.

Ook na zijn zangerspensioen echoode Fischer-Dieskaus naam voort als norm voor de Schubert-interpreten die hem opvolgden. Vele van hen, onder wie Matthias Goerne, studeerden ook bij hem. ,,Meestal Duitse zangers'', signaleert hij. Zelf is hij ook verankerd in zijn thuisstad Berlijn. Daar woont hij al vijftig jaar in hetzelfde huis, schreef hij vele boeken over muziek, trouwde viermaal en bracht drie muzikale zonen groot.

Fischer-Dieskau belichaamt de Duitse cultuur, en heeft zich daarvan altijd met voorzichtigheid rekenschap gegeven. Hij was de eerste Duitse solist die na de Tweede Wereldoorlog in Israel optrad, waarvoor hij werd beloond met een staande ovatie. In Ne4derland ontving hij een eremedaille met de inscriptie `voor onze geliefde vijand'.

Dieskaus jeugd vertoont een opvallende gelijkenis met de jeugdherinneringen van dirigent Bruno Walter of schrijver Klaus Mann. De zomers in de bergen, waar 'Dieter' in matrozenkiel zijn eerste Unterhaltungs-marsjes dirigeert. De speelkamer, waar hij in een bordkartonnen theater de muziekdrama's van Wagner naspeelt met tinnen soldaatjes als Meistersinger. Dienstmaagd Else, voor wie hij in de keuken graag gedichten van Heine en Goethe declameert die hij leert op de school waarvan zijn vader voordien rector was. Een klassieke, Duitse jeugd, die door de Tweede Wereldoorlog werd afgebroken.

Als zeventiger straalt Fischer-Dieskau de gedistingeerde sfeer uit van een verloren tijdperk. Journalisten waarschuwen elkaar voor de eerste schok van zijn verschijning, want - wat platenhoezen verzwijgen - Dieskau is van indrukwekkende lengte, voortschrijdend met de bijbehorende, zwiepende tred. Kalm wisselt hij zijn heldere uitspraken af met troebele blikken in de verte. Alleen wanneer een onderwerp hem bijzonder ter harte gaat, lichten zijn donkere kraalogen op, of volgt een grap vol bijtende, Berlijnse zelfspot. ,,Noemt men mij de meest invloedrijke zanger van de vorige eeuw? Nou, nou! Zo'n omschrijving doet mij eerlijk gezegd wat al te `legendarisch' aan.''

Dwarsdoorsnede

Met het oog op Fischer-Dieskaus vijfenzeventigste verjaardag bracht Deutsche Grammophon een box uit met 21 cd's, als dwarsdoorsnede van zijn levenswerk. Hij is een beetje retrospectief-moe, zegt hij in de lobby van zijn hotel, met een verontschuldigende glimlach. ,,Ik ben oud, en met deze box zijn ook mijn oude opnames op cd verkrijgbaar. Nu zal ik dus wel snel doodgaan.''

De cd-box biedt hoogtepunten uit alle genres waarin Fischer-Dieskau als zanger actief was. Nu hij zich als zanger heeft teruggetrokken, heeft het dirigeren de plaats van het zingen ingenomen. Bovendien schildert hij in zijn vrije tijd, naar verluidt grote, woeste doeken. Maar de hoofdtaken van zijn levensavond zijn het lesgeven en het schrijven van een `dik boek' over componist Hugo Wolf, dat hij in 2003 hoopt te voltooien. ,,Daarna ga ik dood. Of zien we wel weer verder.''

Fischer-Dieskau schreef een groot aantal gezaghebbende boeken over muziek. Zijn activiteiten als schrijver-onderzoeker tekenen hem ook als lied-interpreet. In een tijd dat geen zanger de romantiek meer zelf had meegemaakt, hernieuwde Dieskau op grote schaal de populariteit van wat dreigde te worden afgedaan als Biedermeier-kunst met een al te bloemige `knaapje zag een roosje staan'-geur. Dieskau zong en won wereldwijd harten en vijanden doordat hij zich niet alleen op vleugels van gezang liet drijven, maar de gezongen woorden ook liet spreken. Voor generaties achtereen werd hij dé stem voor Schubert, en voor Dieskau is Schubert ook zonder voorbehoud de grootste liedcomponist denkbaar. ,,De eenheid tussen woord en muziek bij Schubert, de natuurlijkheid daarvan, is niet te evenaren'', licht hij toe. Hij zette zijn liefde om in 21 cd's met Schuberts liederen, waaronder ongeslagen vertolkingen als van het wereldberoemde Erlkönig. De troostende woorden van de vader, de hysterie van het ijlende kind, de beangstigende zoetgevooisdheid van de Elfenkoning – alle personages uit Goethes ballade vonden in Fischer-Dieskau hun eigen stem. Zoals componist Paul Hindemith zei: ,,Herr Dieskau, u bent geen zanger, u bent een bard!''

Zijn werkwijze maakte Fischer-Dieskau tot een innovatief liedinterpreet, die echter zelf juist de nadruk legt op de historische wortels van zijn kunst. ,,Ik sta als zanger in een traditie. Mijn leraar Hermann Weissenborn was een leerling van Raimund von zur Muehlen, die weer gezongen heeft met Clara Schumann en Johannes Brahms. Die directe lijn van mijn eigen opleiding naar de wortels van de muziek die ik zing, daar ben ik trots op.

,,De zangers die het vak beoefenden in mijn jeugd, hechtten óók al veel gewicht aan een evenredige balans tussen woorden en muziek. En met reden, want een publiek valt in slaap als het de tekst niet kan volgen. Daarom is de relatie tussen tekst en muziek voor mij altijd belangrijk geweest, maar de manier waarop je die balans opmaakt, hangt af van het repertoire. Hugo Wolfs liederen zijn vaak declamatorisch, hij componeert woord voor woord, syllabe voor syllabe. Dat kleurt je aanpak als zanger. Maar Schubert schrijft lange lijnen, en dat vergt een andere werkwijze.''

Gloriedagen

Muziek, een gedicht, de manier waarop de muziek de tekst schildert. Wie opnames hoort van Fischer-Dieskau in zijn tekstschilderende gloriedagen, moet haast wel vermoeden dat voor zijn interpretaties een diepgaande analyse van de tekst het beginpunt was. ,,Ach! Ik vind dat journalistenpraat. Wanneer ik een nieuw lied op mijn repertoire nam, werkte ik nooit vanuit de tekst. Ik volgde de werkwijze van de componist. Waar Schubert een dichtregel belangrijk vond, weerspiegelt zich dat in de manier waarop hij die regel met ritme, kleur en muzikale sfeer omkleedde. Analoog daaraan ontwikkel je als zanger een interpretatie en benadering. Ik word wel vaak omschreven als een zanger die zich vooral met de tekst inliet, maar dat is onzin. De muziek komt voor elke zanger altijd op de eerste plaats.''

De oudste opname in de cd-box dateert uit 1949, het jaar waarin Fischer-Dieskau trouwde met zijn jeugdliefde, celliste Irmgard Poppen. Hij ontmoette haar enkele jaren daarvoor in Berlijn, en haar lieftallige Bildnis was (samen met een dagboekje) het enige reliek dat hem als krijgsgevangene in Italië bond aan het platgebombardeerde thuisfront. Pas in 1947 keerde hij terug. Met het allerlaatste militaire konvooi, want zijn werk als cultuur-officier was een kostbaar goed voor zijn medesoldaten, die hij vanaf een laadtruck met Steinway in de bak troost bood met uitvoeringen van Schubert, Brahms en andere echo's uit een verre beschaving.

Met de Winterreise, Schuberts sombere cyclus over een rondtrekkende éénling die zijn gebroken hart spiegelt aan de ijzigheid die hem omringt, heeft Fischer-Dieskau een speciale band, vertelt hij. Het verhaal over zijn eerste recital met het werk werd een legende: een bombardement verstoorde het concert, Dieskau vluchtte met zijn publiek de schuilkelder in en zette na afloop zijn recital voort. Iedereen bleef.

Naderhand ontwikkelde zich natuurlijk zijn visie op het werk, zoals dat voor alle liederen het geval was. De lied-interpretaties van de jonge, mollige Fischer-Dieskau uit de vroege jaren vijftig, die in de box helaas ontbreken, vertederen als de jeugdfoto's van een geliefde. Een blauwdruk voor zijn bloeitijd in de jaren zestig en zeventig ligt erin besloten. Maar het hoge register klinkt nog wat pril, nattig, wankelend – en juist daardoor ontroerend in de oren van de collectioneur.

Zijn oudste opname van Winterreise dateert uit 1955. De nieuwe cd-box bevat misschien wel de mooiste uit 1980, met Daniel Barenboim achter het klavier. Na 1980 verschenen nog twee opnamen, waaronder de gewraakte en bekritiseerde uit 1990 met Alfred Brendel als begeleider, zodat heden in totaal negen van Fischer-Dieskaus Winterreise-interpretaties op cd verkrijgbaar zijn. Hij glimlacht. ,,Terugkijkend hoor je hoe langzaam de Tränenseligkeit uit mijn interpretatie verdwenen is. Mijn tempi werden sneller, mijn visie dramatischer. Uit mijn huidige visie denk ik dat Schubert de cyclus zag als een passieverhaal in 24 episodes, steeds verschillend in kleur en sfeer. Die betekenis is niet los te zien van zijn eigen leven. In zijn andere cyclus, Die Schöne Müllerin, pleegt de protagonist zelfmoord. Schubert schreef de liederen toen hij met syfilis in het hospitaal lag. Als zanger hoor je zulke achtergronden te kennen om tot een goede vertolking te kunnen komen.''

Rijpere stem

In de box ligt, tot Dieskaus goedkeuring, een nadruk op zijn kunst uit de jaren zestig en zeventig. Opnames van na 1980 ontbreken. Opnames van voor 1960 zijn schaars. Een lenige, jonge stem zingt in 1949 Falstaff in het Duits. Een rijpere stem zingt `Gute Nacht' op de meest recente opname. Een constante vormt de `Nachklang' van Dieskaus motto: `Zing nooit een woord dat je niet begrijpt'.

Het belang van de relatie tussen de kleur van een stem en de aard van de interpretatie benadrukt Dieskau in zijn biografische studie Schubert's songs: `De manier waarop een zanger een lied concipieert, wordt grotendeels bepaald door zijn stem.' Fischer-Dieskau: ,,Natuurlijk! Elke interpretatie wordt gekleurd door het karakter van de stem. Een stem kan alleen dat doen wat in zijn mogelijkheden ligt. Mijn stem kon veel, gelukkig. Maar niet alles. Ik heb een slanke bariton en schreeuwen bekomt me slecht. Een echte Wagner-zanger ben ik ook nooit geworden. Om je stem te sparen, moet je je grenzen kennen. Maar binnen die grenzen is de stem de voornaamste sleutel voor je interpretatie.''

In zijn autobiografie Nachklang schetst Dieskau een meeslepend en genuanceerd beeld van zijn lange loopbaan, waarin hij werkte met vrijwel alle grote dirigenten. Karajan, Bernstein, Klemperer, Fürtwängler, Jochum. En Böhm, die ooit verzuchtte: `Is het werkelijk toegestaan zò mooi te zingen?!' Daarnaast waren er de pianisten met wie hij als liedzanger samenwerkte. Höll, Barenboim, Brendel, Demus. En vooral: Gerald Moore, die een boek schreef over de rol van liedbegeleider met als titel Am I Too Loud?

Dieskau: ,,Vraag je mij wat de ideale liedvertolker kenschetst, dan moet hij vooral een goed kamermuzikant zijn. De band tussen pianist en zanger is als een strijkkwartet. Zoals Goethe zei: in een strijkkwartet gaan vier individuen een goed gesprek aan. En zo is dat ook bij het lied. Het is een duo-kunst, een wisselwerking. Maar er zijn heel veel liederen met gevaarlijke plekken. Daar moet je als zanger je pianist terdege waarschuwen inderdaad niet `too loud' te spelen. Anders valt de balans weg, en met de balans de dialoog.

,,De liederenzangers van nu stemmen me optimistisch. Er is veel animo voor, maar altijd alleen voor liederen uit het verleden. Misschien is het lied ook wel een genre van het verleden. Ik wil niet zwelgen in nostalgie, maar het huidige muziekleven stemt mij zeer somber. Alles is geschreven, alles is gedaan. Het toonmateriaal is opgebruikt. En in een maatschappij waar cultuur het op grote schaal aflegt tegen commercie, betwijfel ik of we de komende tijd veel werkelijk interessante ontwikkelingen op het gebied van de klassieke muziek kunnen verwachten.

,,Ik ben altijd nieuwsgierig geweest naar de stand van zaken in de contemporaine muziek, en dat resulteerde in vele engagementen en vriendschappen met componisten. Ernst Krenek zei altijd: `Dieter, waarom leg je je niet helemaal toe op de moderne muziek? Een heerlijk vak, want niemand hoort het toch als je een verkeerde noot zingt, en je hebt altijd de schrijvende pers aan je kant.' Maar nee, hoe graag ik de muziek van componisten als Britten, Reimann en Henze ook zong: pluriformiteit heb ik altijd noodzakelijk gevonden. Een zanger moet de wereld in. Alles doen, alles willen. Bijna alles, althans.''

Hij zucht en werpt een verlangende blik naar de eetzaal van zijn hotel, waar hij zijn echtgenote, sopraan Julia Varady, in afwachting van zijn gezelschap weet. ,,Weet u, als musicus wijd je je hele leven aan het overdragen van de muziek waarin je gelooft. Ik hoop dat die muziek en mijn interpretaties ervan nog van enig belang zullen zijn zolang ik leef. En heel misschien nog ietsje langer.''

De Fischer-Dieskau Edition (21 cd's) is verschenen bij Universal Classics, 463 500-2, ƒ 449,95. Ter gelegenheid van zijn vijfenzeventigste verjaardag is de uitzending van Reiziger in Muziek op 28 mei geheel aan Fischer-Dieskau gewijd: Ned. 3, 11.00 uur.

`Het publiek valt in slaap als het de tekst niet kan volgen'

`Nu al mijn oude opnames op cd staan zal ik wel snel doodgaan'