Ik Clifford Cremer

De Cremers vormen een kleine Nederlandse schrijversdynastie. Het middelpunt daarvan is natuurlijk de auteur van de `onverbiddelijke bestseller' Ik Jan Cremer uit 1964, waarvan deze maand de vijftigste druk verschijnt. In 1978 bezorgde hij een boekje van de hand van zijn vader Jan Cremer sr., Op de fiets de wereld in, reisreportages vanaf de Balkan en verder uit de jaren dertig, die oorspronkelijk in de Nieuwe Hengelosche Courant waren verschenen. Die waren meer curieus dan goed of belangrijk.

En nu is er dan ook een zoon van Jan Cremer, Clifford, die zich aan een heus boek heeft gezet, dat op het eerste gezicht nogal aan Ik Jan Cremer doet denken: een persoonlijk levensverslag, vol van zuipen en wijven die geneukt moeten worden. Maar helaas ligt het belang van Bomberjack eerder op het niveau van Op de fiets de wereld in dan op dat van Ik Jan Cremer.

Bomberjack is het verslag van een betrekkelijk ongelukkig leven: de haat jegens de afwezige vader (consequent Ik Jan genoemd) druipt van de pagina's. Clifford Cremer groeide, naar eigen zeggen, op bij zijn grootmoeder en in een kindertehuis. Hij kiest voor een loopbaan als marinier. Op Aruba verliest hij een been bij een verkeersongeluk. Daarna reist Clifford Cremer nog wat rond over de wereld. Zo wordt Thailand aangedaan, met te verwachten seksuele gevolgen.

Als instructeur sluit de auteur zich aan bij de Nederlandsch Kroatische Werkgemeenschap, en vertrekt naar de Joegoslavische burgeroorlog. Deze groepering, die Nederlandse vrijwilligers zond naar de Kroatische kant in de oorlog, droeg een nogal extreem-rechts karakter, in een Glimmerveen-achtige sfeer. Maar daarover heeft Clifford C. niet veel te vertellen. Al blijkt uit verspreide opmerkingen in Bomberjack, over buitenlanders met name, dat we ook in politiek opzicht met een rancuneuze auteur van doen hebben.

Het boek eindigt met de dood van Cliffords broer Clint die – zoals de lezers van roddelbladen weten – is vermoord. Ook dat is aanleiding tot een aanval op `Ik Jan', die door de moord `niet echt aangedaan' zou zijn geweest.

Bomberjack is niet apert slecht geschreven, maar wel volstrekt humorloos – zoals vooral blijkt uit geestig bedoelde passages, over een bezoek aan een Thaise kliniek voor geslachtsziekten.

Daarin verschilt Bomberjack essentieel van Ik Jan Cremer, het kennelijke voorbeeld. Ook Ik Jan Cremer is een autobiografisch verhaal, maar er was in 1964 duidelijk een schrijver aan het werk, die gebruik maakte van korte, mitraillerende zinnen en van een vaak barokke manier van beschrijven. Ik heb het 36 jaar oude boek nog eens opgeslagen, om de nare smaak die Bomberjack nalaat wat te verdrijven. Ik Jan Cremer is verrassend modern gebleven – misschien juist omdat je je nu niet meer kunt voorstellen hoe schandelijk dit boek door brede lagen van de Nederlandse samenleving werd gevonden.

Die literaire dimensie ontbreekt in Bomberjack. De uitgever prijst het aan als een `aangrijpend tijdsdocument' over `onafhankelijke eenlingen' die zich in `een kille en materialistische wereld' staande moeten houden. Maar ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat dit akelige levensverhaal vermoedelijk geen serieuze uitgever had gevonden, wanneer er niet af en toe flink werd uitgehaald naar de vader van de schrijver.

Clifford C. Cremer: Bomberjack. Aspekt, 368 blz. ƒ39,95

Nederlandse literatuur