Het beest verdriet beschreven

`Mensen die schrijven over een trauma zijn beter af dan degenen die dat niet doen', las Hans Moll in de krant. Bij de Sri-Lankaanse schrijver Romesh Genesekera vond hij, in poëtische bewoordingen, min of meer dezelfde gedachte: `Niets gaat weg/ wat is gebeurd, is gebeurd/ Het hangt aan de mantel van de ziel./ Misschien kun je het vangen,/ als je er woorden aan geeft.'

Het trauma dat Hans Moll in Chantal in woorden probeert te vatten is de plotselinge dood van zijn vriendin, met wie hij twintig jaar samen was en die vorig jaar, binnen enkele weken, aan een hersentumor overleed. Anders dan bijvoorbeeld Henk Pröpper, die een vergelijkbare ervaring vorm gaf in een roman, maakte Moll, redacteur van deze krant, een onverbloemd egodocument. Hij stelde zich ten doel `zo sober mogelijk weer te geven wat er die paar weken in januari is gebeurd', alles `koel te registreren' en `op een neutrale toon' vast te leggen.

Het lijkt een onmogelijke opgave en toch is hij erin geslaagd. Of het nu gaat over de ontdekking van de tumor, de ziekenhuisopname, de paar dagen thuis, de begrafenis of het tuintje op Chantals graf, Molls toon is observerend en betrokken tegelijk, zoals die van een nauwgezette antropoloog met een opschrijfboekje binnen handbereik. Als hij zich al tranen toestaat, dan liefst alleen en binnen de vier muren van zijn huis, daar waar `het beest verdriet' het vaakst de kop opsteekt.

Hans Moll (52) publiceerde eerder twee romans. De hoofdpersoon van zijn eerste boek, De hoeken van de ring (1987), is een verslaggever, die het liefst doodgraver zou zijn, of kapitein op een veerboot tussen twee onbewoonde eilanden. Als amateur-kickbokser raakt hij betrokken bij louche zaakjes in een afbraakbuurt, waar geweld en bedreiging schering en inslag zijn. In Molls tweede roman, Levisons reis (1993), doet een jongeman verslag van een reis door een Aziatisch land. Hij observeert de mensen die hij onderweg tegenkomt en registreert hun gedrag zonder erover te oordelen, al denkt hij er het zijne van. `Moll beperkt zich tot het vertellen van mooie verhalen en waagt zich niet aan karakterbeschrijvingen', schreef Elsbeth Etty destijds in haar recensie.

Iets soortgelijks geldt, mutatis mutandis, voor Chantal. `Mooie verhalen' is in dit verband nu niet de juiste term, maar de hoofdstukjes waaruit het boek bestaat zijn kort en helder geschreven. Uitgangspunt vormt nu eens een opmerking van de begrafenisonderneemster, of een van een vriendin ontvangen cassettebandje, dan weer een eenzame wandeling langs de Vecht, of een uit een lade opgedoken foto, genomen tijdens de laatste vakantie die hij met zijn vriendin doorbracht.

Tot een echte karakterbeschrijving van degene die het boek zijn titel gaf, komt het echter niet. We lezen dat Chantal als sociaal-psychiatrisch verpleegkundige bij een RIAGG werkte en geestelijke gezondheidszorg studeerde in Maastricht, dat ze niet rookte, `nooit ziek' was, dat ze niet hechtte aan bezit en hartstochtelijk van reizen hield. Wij, willekeurige lezers die haar niet hebben gekend, nemen voor kennisgeving aan dat ze `nuchter' was, `sociaal niet altijd even handig' of juist bijzonder in `het openen van mensen'. Anders is het met de meer persoonlijke mededelingen: dat Chantal ooit in haar dagboek schreef dat Hans `haar liefste minnaar was' en zich vervolgens in de armen van iemand anders wierp. Dat zij kinderen wilde, na een buitenbaarmoederlijke zwangerschap een eierstok verloor en later toch een abortus liet plegen. Wat de vriend of kennis raakt en zelfs ontroert, wekt bij een buitenstaander een zekere gêne op. Ook dat de schrijver onbeschroomd commentaar geeft op condoleancebrieven en citeert uit dagboeken van Chantal, roept een ongemakkelijk gevoel van voyeurisme op.

Het is het dilemma van een egodocument: uiteindelijk zegt dit boek veel meer over de auteur dan over zijn verloren vriendin. Hans Molls woede, angsten, verdriet, zijn onmacht en vragen – die blijven in je geheugen hangen. `Had ik haar wel moeten laten opereren?' (Chantal had een euthanasieverklaring ondertekend en droeg een donorcodicil bij zich); `Zou zij mijn dood zwaarder hebben gevonden dan ik de hare?'; `Wanneer heb ik haar nu eigenlijk voor het eerst ontmoet?'; `Wanneer had ik voor het laatst naar een gezonde Chantal gekeken?' Het zijn vragen die uiting geven aan twijfel over beslissingen en keuzes en aan onzekerheid over de interpretatie van het verleden. In gedachten laat Moll de gevoelens de revue passeren die hij had bij eerdere, andere doden uit zijn leven. Hij herinnert zich zijn gebrek aan verbazing toen een ex-vriendin zelfmoord pleegde en `boos en gepijnigd' in haar kist lag. Ook de dood van zijn vader, die hem eigenlijk niet heeft geschokt. Na de oorlog verliet deze ex-KNIL militair, die door de Japanners was geïnterneerd, zijn gezin en werd Hans door zijn moeder opgevoed. `Hoe een relatie eruit moest zien, wist ik eigenlijk niet'. Maar dat de wereld vergankelijk is, besefte hij al vroeg.

Over het leven van zijn moeder schrijft hij, dat zij buiten de Japanse kampen bleef omdat zij Indonesische voorouders had, maar desondanks het slachtoffer werd van gewelddadige Japanse militairen. Een tweede kind had zij nooit gewild, `omdat je met één kind op de arm nog kan vluchten, met twee niet'. Later, in Den Haag, legde zij mensen de kaart en hamsterde ze levensmiddelen. Jarenlang stond er een fiets in de achterkamer, voor als ze weer onverwachts zou moeten vluchten. Met Chantal schreef Hans Moll niet alleen een gedenkboek voor zijn overleden levenspartner, maar ook een tastende aanzet tot een verzoening met zijn complete verleden.

Hans Moll: Chantal.

Nijgh & Van Ditmar. 144 blz. ƒ27,50

Nederlandse literatuur

    • Margot Dijkgraaf