Eeuwig jong, eeuwig wild

Toneelwerkplaats Fact bestaat 25 jaar. Wat begon als een hemelbestormend project voor jonge theatermakers, is nu een repertoiregezelschap in vermomming.

Een koperkleurig nietje houdt drie getyptje velletjes papier bij elkaar. ,,Er is een tekort aan regisseurs'', schrijft de Rotterdamse Toneelraad op 7 maart 1975. ,,Daarom moet er een nieuw project komen.'' De regisseurs die de Toneelraad zich voorstelt moeten jong zijn, ambitieus, en zorgen voor enerverende voorstellingen bestemd voor de kleine zaal. Ze krijgen de belofte te kunnen werken in alle vrijheid die ze wensen. Na Fact moesten ze hun eigen plaats verwerven. Een kwarteeuw terug was dit een vooruitstrevende gedachte. Een rechtstreekse toegang tot het theater was destijds ongebruikelijk voor een aankomend regisseur. Beginnende regisseurs gingen in de leer bij gevestigde namen. Dankzij Fact lag de weg open, een short cut die de prille regisseursdroom verwezenlijkte.

Een naam voor het project ontbrak vooralsnog. De vijf regisseurs waren wel bekend: Rein Edzard, Leo Hogenboom, Dick Top, Gerardjan Rijnders en Paul Vermeulen Windsant. Vermeulen Windsant was opgeleid voor accountant en werkte in een dierenwinkel. Hij bedacht de naam, die aanvankelijk voor verwarring en onbegrip zorgde. F Act, uitgesproken als Ef-Ekt, de afkorting van `Five Acts for Five Actors'. Later verdween de spatie. Fact bestaat nu vijfentwintig jaar.

Sinds dat allereerste begin had Fact de uitstraling van jong, wild, spraakmakend, hemelbestormend. De regisseurs van toen waren gemiddeld vijfentwintig. Rijnders, de enige van die eerste vijf die zich een blijvende plaats in het Nederlandse toneel veroverde, begon meteen met een onverwoestbare klassieke tragedie, Antigone van Sophocles. De première was op 18 september 1975, een donderdagavond. Het gezelschap speelde in de schaduw van de oude Rotterdamse Schouwburg op het Schouwburgplein in een haastig opgebouwde, kleine zaal die veelbetekenend het Piccolotheater heette. Rijnders bewerkte het stuk tot een huiskamerdrama, waarin de spelers het als `gewone' mensen met elkaar moesten zien te rooien. Antigone werd met gemengde gevoelens ontvangen. Kort daarop verenigden Rijnders en Vermeulen Windsant hun krachten en maakten het door Rijnders geschreven Schreber. Vermeulen Windsant regisseerde, Rijnders vertolkte een schizofrene man, een romantische dwaas en gevaarlijk gek, die na een tocht langs psychiatrische inrichtingen slechts schoorvoetend door de maatschappij wordt aanvaard. De voorstelling werd bejubeld. Nu nog verlangen mensen vol heimwee naar een reprise. Fact verwierf status.

Dat Rijnders zich behalve als regisseur ook als toneelschrijver manifesteerde, zette de toon voor tal van Fact-producties door de jaren heen. Het opvoeren van zelfgeschreven teksten verhoogde de aantrekkingskracht voor de jonge toneelmakers. Zo maakte de latere Hauser Orkater-regisseur Aat Ceelen een drieluik over de toneelspeler in de maatschappij dat hij Het verhaal van de nar (1976) noemde. Een ander liet zich inspireren door de Algerijnse oorlog. Peter te Nuyl schreef en regisseerde een collage over de zelfmoord van de dichter Heinrich von Kleist. Grote bekendheid verwierf Rinus (1988) van toneelschrijver Rob de Graaf in de regie van Marien Jongewaard. Allemaal nieuwe stukken: dankzij haar verlangen naar jonge regisseurs kreeg de Raad er onverwachts ook een lichting schrijvers bij.

Het theater in Rotterdam snakte in de jaren zeventig naar kracht en elan. Amsterdam had intussen haar Actie Tomaat gehad, maar in het lijsttoneel van de schouwburg speelde Het Nieuw Rotterdams Toneel het repertoire, en dat woord alleen al riep gedachten op aan belegen en ouderwets. Het bleek een gouden vondst van de Toneelraad om geen nieuw gezelschap te beginnen, maar wel jonge regisseurs en decorontwerpers de kans te bieden om zonder financiële hindernissen een toneelvoorstelling te maken voor de kleine zaal. Die voorstelling moest zowel in het Piccolo gespeeld worden als op tournee gaan door Nederland.

Foyer

Een van de eerste producties van Fact die ik zag, was Facelift (1982) van filmer en regisseur Paul de Mol. Het zeven jaar oude gezelschap had inmiddels onderdak gevonden in theater Lantaren/Venster. De voorstelling begon in de foyer van het theater, verplaatste zich vervolgens naar de gang om uiteindelijk, de tijd was al voor de helft om, op het podium verder te gaan en daar te eindigen. Het was een performance waarin de spelers zowel als film- en toneelacteur optraden. Dit ging tegen de verwachtingen van de schouwburgbezoeker in, zoals elke Fact-voorstelling dat ambieerde. Soms met het gevaar te mislukken, vaak leverde het iets prachtigs op. Het theater maakte snelle en ook spannende ontwikkelingen door dankzij de kleine zaal, die meer kansen bood voor verandering. De eisen van de grote zaal lagen anders; daar moest allereerst veel publiek getrokken worden en lag de keuze bij het voor de hand liggende, bekende repertoire. Fact markeerde juist de grens tussen kleine en grote zaal. In de eerste was plaats voor verandering, telden de bezoekersaantallen nauwelijks. Voorstellingen in de grote zaal waren behoudender.

Ondertussen was het toneel onder de hoede van Fact niet het enige dat streefde naar een nieuwe speelstijl. Het Werkteater deed van zich spreken, evenals het Onafhankelijk Toneel en Baal. Er kwam concurrentie. Voor Fact diende zich de vraag aan hoe noodzakelijk het nog was. Hoe geruchtmakend waren de voorstellingen?

De structuur werd in de loop van de jaren zeventig en tachtig steeds democratischer. De acteurs kregen evenveel gezag als de regisseurs. Rijnders herinnert zich dat alle leden van de groep een week lang op de hei moesten gaan zitten om met elkaar een `sessie te brainstormen', vol improvisaties. Rijnders vertolkte `een lekkend oliekraantje'. De Vlaamse regisseur Jan Decorte had het land aan inspraak. Hij kreeg ruzie met zijn spelers, vooral met actrice Elisabeth Andersen, zodat de voorstelling De Pelikaan van Strindberg in 1980 dreigde te mislukken. Karst Woudstra, vertaler van het stuk en vervuld van regie-ambitie, nam de voorstelling over. De Pelikaan werd een van de mooiste producties van Fact. Teder, mild, intiem. Een psychologisch portret van een moeder, haar dochter en schoonzoon. Woudstra's tekstgetrouwe regie van een bekend repertoirestuk vormde een uitzondering. Koos een Fact-regisseur al een bestaande tekst, dan werd die ingrijpend bewerkt, zoals Rijnders dat met Antigone deed.

Fact was nooit een gezelschap, dus we kunnen niet spreken van een Fact-stijl in het Nederlandse theater, zoals dat wel geldt voor Baal of Het Werkteater. In de artistieke leiding van Fact zat geen regisseur. Die was in handen van iemand die zich, om welke reden dan ook, bij het theater betrokken voelde. In de kwarteeuw die nu is verstreken, werd Fact voor korte of langere tijd geleid door zeven directeuren. De eerste, initiatiefnemer Willy Hofman, was lid van de Rotterdamse Toneelraad. Hoe divers de afkomst van de daaropvolgende leiders ook was – een acteur en docent aan de Amsterdamse toneelschool, een dramaturg, een recensent – telkens weer viel de nadruk op het jonge, het aanstormende en veelbelovende. Fact plaatste advertenties in de krant waar soms tegen de honderd reacties op kwamen. De tekst van deze `Oproep' is veelzeggend: ,,F Act biedt sinds 1975 elk seizoen aan jonge/aankomende regisseurs de mogelijkheid een kleine zaalproductie (max. 5 acteurs) te realiseren.''

Langzaam begon er een contrast te ontstaan tussen het aureool van Fact en wat de theaterbezoeker daarvan in de voorstelling terugvond. Het leek een gezelschap, minder een studio waar `avontuurlijk' of `grensverleggend' theater werd gemaakt. Bood een première bij Fact aanvankelijk de sensatie misschien aanwezig te zijn bij de geboorte van een groot regisseur, later verschilden de Fact-voorstellingen minder van het reguliere aanbod. De wisselende leiders zorgden voor wisselend artistiek resultaat. Zo leek het in de tweede helft van de jaren tachtig of Fact helemaal niet meer bestond. Men speelde steeds meer voor elkaar op zolders in plaats van in het theater.

Er was een koersverandering nodig. Die kwam in 1995: Fact richtte zijn aandacht op de grote zaal. Regisseurs die in het klein hun sporen hadden verdiend, kregen nu de kans voor zeshonderd toeschouwers te gaan werken. De eerste was Jeroen van den Berg met De Meeuw, daarna kwam Erik-Ward Geerlings die Orestes en Elektra regisseerde. Ivar van Urk nam Tsjechovs Oom Wanja van de plank en Koos Terpstra begon aan zijn Troje Trilogie te werken.

Identiteit

Die keuze voor de grote zaal had diepgaande gevolgen en het was een ontwikkeling die niet door iedereen werd toegejuicht. Fact dreigde zijn identiteit te verliezen, bovendien ging het steeds meer voorstellingen maken in samenwerking met bestaande gezelschappen. Konden regisseurs vroeger hun eigen teksten schrijven, nu werd de klassieke toneelliteratuur als een bijna vergeten liefde binnengehaald. Tsjechov vooral, Euripides, Sophocles. Artistiek leider Rob Klinkenberg (1990-'95) was verantwoordelijk voor deze ommezwaai. Hij wilde af van het imago van Fact als toneel-voor-elkaar. Hij is ook de samensteller van het jubileumboek Fact 1975-2000. Met trots meldt hij het belang van Fact. Er is het rijtje bekende regisseurs, en natuurlijk ook het rijtje vergeten regisseurs. Het was onder de hoede van Fact dat Woudstra de Zweedse toneelschrijver Lars Norén introduceerde in Nederland, dat Monique van de Ven in 1986 met Zonder betekenis (naar de film Insignificance van Nicholas Roeg) haar toneeldebuut maakte, en daarin wonderwel slaagde. Foto's en korte interviews met de regisseurs halen deze voorstellingen even terug uit het verleden.

Een opmerkelijke Fact-productie was het debuut van Paul Feld met Seance (1991), een door hemzelf gemaakte toneelbewerking van de roman Amerika door Franz Kafka. Feld schreef ook een interessante bijdrage voor het boek, waarin hij Fact verwijt zijn vroegere `assertiviteit en grilligheid, ja, misschien wel jeugdige onbezonnenheid' te verliezen. Fact lijkt een onderdeel van het establishment van de Nederlandse toneelwereld te zijn geworden.

Een regisseursstudio die vijfentwintig jaar bestaat, verdient alle lof. Het is de vraag of de flirt met de grote zaal Fact niet duur komt te staan. We zien het aan de keuze voor de stukken: De Meeuw en Oom Wanja van Tsjechov. Een bewerking van Euripides' Oresteia en Elektra. Alom bekende stukken die vooral lijken te lonken naar een groot toeschouwersaantal. Het is ondoenlijk voor een aankomend regisseur twee meesters te dienen: èn de grote zaal vol krijgen èn een voorstelling te maken die gewaagd is, die het risico mag lopen te mislukken. Fact voor de grote zaal verschilt nauwelijks van wat de Nederlandse toneelgezelschappen al doen: het vertrouwde toneelrepertoire spelen, maar dan in een nieuw jasje. Als studio die aan rebels talent alle vrijheid geeft, zowel aan regisseurs als nieuwe toneelschrijvers, heeft Fact meer bestaansrecht.

Fact Acts, 7 en 8 april in de Rotterdamse Schouwburg. O.a. `Op de hoogte' van Thomas Bernhard, regie: Bart Dackaert, en `Ruigoord; de geboorte', regie Carina Molier. Res.: 010-4118110.

Fact 1975-2000, een overzicht. Samenstelling: Rob Klinkenberg, 372 blz. Prijs ƒ35,00 tijdens de Fact Acts. Daarna te bestellen: 010-4367997.

Monique van de Ven maakte bij Fact haar toneeldebuut en slaagde wonderwel

Fact lijkt een onderdeel van het establishment van de Nederlandse toneelwereld te zijn geworden