Eerst naar Wagner, dan naar Hazes

Onder aanvoering van staatssecretaris Van der Ploeg bloeit het debat tussen de cultuurpessimisten en -relativisten. Hoewel, debat? ,,Er bestaat een chronische onwil om zich in de ander te verdiepen', vindt Bas Heijne.

Annie M. G. Schmidts Jip en Janneke is in het Latijn vertaald. Het boekje voert op dit moment de belangrijkste bestsellerlijst van Nederland aan. Volgens berichten is het niet aan te slepen.

Wat stel ik me daar bij voor? Zetten mannen en vrouwen en kinderen 's avonds de televisie uit en grijpen ze verheugd naar Jippus en Jannica, hèt boek van dit moment, dat je gelezen moet hebben? In heel het land maken leesclubs zich op voor lezingen, discussies en voorleessessies. Niemand, zo lijkt het, kan aan dit boek voorbijgaan. Ik stel me voor dat mensen op straat er zinnetjes van door hun hoofd laten gaan. Er wordt vast en zeker over gedroomd.

Een kinderboek in het Latijn, op nummer 1 in de boekentoptien van het jaar 2000; als je dat tien jaar geleden had voorspeld, was je voor gek verklaard. Een boek voor snobs, kopte deze krant boven de recensie een paar weken terug, eveneens in het Latijn. Als het alleen snobs zijn die zich op dit boekje storten, dan moeten het er in ieder geval heel veel zijn. Wat betekent het? Waarom voelt men aan het begin van een nieuw millennium plotseling behoefte om Nederlands bekendste kinderboek in de even eerbiedwaardige als dode taal van de westerse beschaving te lezen? En als het waar is wat wordt gesuggereerd, dat men Jippus et Jannica helemaal niet leest, maar alleen koopt wegens het snob-appeal – dan is de betekenis ervan alleen maar groter. Want waarom zou je je juist met dit boek willen onderscheiden?

Het gaat niet om een rariteit, het is een fenomeen. Populaire strips en tekenfilms, waar tot voor kort uit de `hoge' cultuur altijd op neergekeken is, worden plotseling gebruikt om diezelfde hoge cultuur te populariseren. Een paar jaar geleden was er het onverwachte succes van het boek Asterix en de waarheid, dat nu dunnetjes wordt overgedaan met Asterix en de wijde wereld en een tentoonstelling in het Leidse Rijksmuseum van Oudheden, waarin de Franse strip wordt gebruikt om onwetende belangstellenden de Romeinse beschaving te laten zien. Deze krant wijdde er een hele bijlage aan. Vorig jaar werd de wondere wereld van Tibet op een tentoonstelling in het Leidse museum voor Volkenkunde uit de doeken gedaan aan de hand van Kuifje. Het liep storm. Op een nieuwe vertaling van Aesopus' fabels staat een portretje van Meneer de Uil uit De Fabeltjeskrant afgedrukt.

De leus van de laatste Boekenweek, gewijd aan de klassieken, zegt genoeg: gymnasium niet verplicht!

Nieuw is het mechanisme niet: het was de film Amadeus die min of meer op eigen kracht voor een hernieuwde hartstocht voor klassieke muziek zorgde, en voor Mozart in het bijzonder. Ook toen werd er al gescholden op de grove versimpelingen die nodig waren om Mozart tot een aansprekende figuur te maken, op het infantiele gesjoemel met historische feiten, enzovoort. Dat gemopper ging voorbij aan wat er werkelijk gebeurde: dat klassieke muziek, in weerwil van de massacultuur en tegen alle sombere voorspellingen in, nog populair kòn worden. Ja maar, je zult het zien, het duurt maar even, riepen de pessimisten, de mensen gaan echt niet naar de concertzaal. Net zoals er nu geroepen wordt dat er toch echt niemand zal zijn die werkelijk naar het woordenboek grijpt en Jippus et Jannica zal ontcijferen. Je denkt toch niet dat men al die gebonden klassieken waarmee de boekhandel ligt volgestouwd, echt tot zich neemt? Het zijn malle oprispingen, anders niet.

Maar het ene fenomeen is nog niet verdwenen, of er gebeurt weer iets vergelijkbaars. Tegenwoordig zijn er de tienduizenden goedkope klassieke cd's die drogisterijketen Het Kruidvat verkoopt. Daarvoor worden weliswaar talentvolle musici uitgebuit, maar de muziek van Beethoven, Bach, Mozart en Chopin bereikt een groot en nieuw publiek.

In deze tijd, waarin in kranten en rapporten en beleidsnota's driftig gepolemiseerd wordt over hoge en lage, oude en nieuwe cultuur, lees je zelden over de betekenis van zulke onverwachte fenomenen.

Tegen de barbarij! roepen de verdedigers van de `hoge' cultuur, vol wellustig pessimisme. Alles wat waardevol is, wordt platgewalst door de commerciële patatvreters van de massamedia. Geestelijke tradities leggen het af tegen het consumentisme, het onderwijs verschraalt hopeloos, de banden met het verleden worden achteloos en zonder pardon doorgesneden. Klassieke muziek dient alleen nog om hangende junks van de metroperrons te verjagen.

Tegen de elite! roepen de cultuurrelativisten. Wagner in het Amsterdamse Muziektheater is een fossiel, krampachtig overeind gehouden door een klein groepje dat zijn zwaargesubsidieerde belangen veiligstelt door zich te verzetten tegen alles wat met populaire cultuur te maken heeft. Populaire cultuur, massacultuur, is onze cultuur. Vernieuwing wordt krampachtig tegengehouden. Zoals de staatssecretaris van Cultuur het zegt: ,,Er is altijd wel een argument om het bestaande te verdedigen en een nieuwkomer de toegang tot het bestel te ontzeggen.' Als zoveel duizenden mensen in Scheveningen naar Miss Saigon van Joop van den Ende willen, wie zegt ons dan dat Wagner of Strauss hogere en betere kunst zijn? De arrogantie! Over kwaliteit valt toch niks zinnigs te zeggen, laten we de cijfers maar gewoon laten beslissen, dat gebeurt op vrijwel alle gebieden in de samenleving. Dus waarom niet in de kunst?

Het grappige is dat de retorische uitbarstingen van beide partijen uitgaan van hetzelfde: de vernietiging of ondergang van de traditionele `hoge' cultuur, van de elitekunst en gesubsidieerde avant-garde – door de een hartstochtelijk gewild, door de ander jammerlijk gevreesd.

Er zit voor mij iets werkelijk afstotelijks aan de oud-linkse rancuneleer van popmuziek-professor René Boomkens, die er zijn levenswerk van gemaakt heeft om de Rolling Stones als algemeen cultuurgoed erkend te krijgen en zich daarom misprijzend uitlaat over opera en andere zwaar gesubsidieerde elitekunst. Eeuwig jong, eeuwig rebel! Alsof popmuziek zelf niet allang tot de gevestigde orde behoort. Hijzelf is er het levende, gesubsidieerde bewijs van.

Aan de andere kant: ik krijg ook een ongemakkelijk gevoel wanneer schrijver Herman Franke zich opwindt over de teloorgang van de beschaving in het algemeen en de Nederlandse in het bijzonder – en vervolgens een wereldvreemd wereldbeeld ontvouwt dat ontleend lijkt aan dat van de leden van het Klassiek Verbond anno 1950. Al die mooie dingen die dreigen te verdwijnen! En er is al zoveel verdwenen!

Waarom lukt het mij maar niet om partij te kiezen? Wat me ergert aan beide opponenten in dit onbeweeglijke debat, is hun territoriumdrift. Beiden trekken strakke grenzen tussen traditionele cultuur en massacultuur, en o wee als die overschreden dreigen te worden. Er bestaat een chronische onwil om zich in de ander te verdiepen. In de jaren zeventig vonden fatsoenlijke linkse mensen een Chileens straatorkest een oneindig veel waardevoller cultuuruiting dan alles wat met het o-zo elitaire Holland Festival te maken had. Alles met een schijn van gevestigde orde was per definitie verderfelijk. Anderzijds wisten rechtschapen conservatieven zeker dat de opkomende massacultuur het einde van de beschaafde tijden inluidde. Wat nu verbaast is met hoeveel gemak vijfentwintig jaar later dezelfde stellingen betrokken worden.

Zoals de discussie nu gevoerd wordt, aangezwengeld door de subsidieplannen van Van der Ploeg, is het vooral een sociale discussie. In het wereldbeeld van de staatssecretaris en de zijnen zijn kunst en cultuur nauw verbonden met maatschappelijke identiteit – of ze vallen daar zelfs mee samen. Het is een soort cultureel determinisme: je kiest de kunst die past bij je sociale status en achtergrond. Als er meer allochtonen of jongeren naar het theater moeten, dan zal er niet iets bij allochtonen of jongeren moeten veranderen, maar bij het toneel. Het volk verdient kunst, dus moet er heel veel volkskunst komen.

Romantiek overheerst. Traditioneel links koestert het romantisch ideaal van het Andere. Het exotische, het jeugdige, laat het toe in je eigen leven en je wordt zelf ook een beetje jong en exotisch. Traditioneel rechts koestert het romantische ideaal van het Eigene, van de vormende traditie. Hoe kan er ooit zoiets als een gemeenschap tussen mensen bestaan wanneer er niet iets gemeenschappelijks over de generaties heen gedeeld wordt? Hoe kun je van een gemeenschappelijke Hollandse cultuur spreken, wanneer niemand Vondel meer kent?

Het verschil tussen `hoge' en `lage' kunsten is opgeheven, luidt de strekking van het rapport Het bereik van de kunsten, dat zo'n drie weken geleden gepresenteerd werd door het Sociaal en Cultureel Planbureau. De klassieke kunstgenieter, de theater- en concertganger, blijkt te hebben plaatsgemaakt voor de culturele omnivoor. Hij is het resultaat van wat de onderzoekers de opkomst van het cultuurrelativisme noemen. ,,Met deze gelijkschakeling is het respect en de belangstelling voor de klassieke, gecanoniseerde cultuur weggeëbd', meldt onderzoeker Jos de Haan. ,,De canon bestaat nog wel, maar men trekt zich er nauwelijks iets van aan, ouderen ook niet. De ene avond zitten ze in de schouwburg, de volgende avond bij André Hazes.'

Is dat waar? De Haan spreekt zichzelf tegen. Als de mensen de ene avond nog in de schouwburg zitten, dan is in ieder geval de belangstelling voor de canon nog niet weggeëbd. Het is een veelzeggende en ook veel voorkomende denkfout: dat met de sociale hegemonie van de `hoge cultuur' ook die cultuur zelf zou verdwijnen. Ik denk dat het anders is: de tegenstelling tussen `hoge' en massacultuur is inderdaad weggevallen, en de hoge cultuur is in het domein van de massacultuur terechtgekomen. Dat wil helemaal niet zeggen dat die verheffende, ooit gecanoniseerde kunst en cultuur ook op het punt staat ten onder te gaan. Ze wordt alleen met andere ogen bekeken, ze dient zich ook op nieuwe manieren aan.

Alles verandert, niets verdwijnt.

De afgelopen honderd jaar is in de Nederlandse samenleving zo ongeveer alles ontkerstend, dus ook de kunst als hoge cultuur. Het idee van maatschappelijke verheffing door kunst, van een levende culturele traditie die een gemeenschap van gelijkgestemden bijeenhoudt, een natie zelfs, heeft plaatsgemaakt voor het impulsieve saamhorigheidsgevoel van de massacultuur. Daar kun je over jammeren, overal om je heen valt teloorgang van oude waarden en instellingen te bespeuren, maar de gecanoniseerde kunst zelf is niet wezenlijk veranderd, en ook niet verdwenen – alle cultuurrelativisten en mediamoguls ten spijt. De traditionele cultuuropvatting is vervangen door de pendule van de tijdgeest. Dat heeft fascinerende ongerijmdheden tot gevolg, zoals een bestseller in het Latijn, iets wat hier sinds de tijd van Erasmus niet meer voorgekomen is. De voorstellingen van Wagners Ring door de Nederlandse Opera vorig seizoen werden, vertoond op een scherm in het Amsterdamse Oosterpark, door duizenden bijgewoond, een latere televisieregistratie trok nog eens ettelijke tienduizenden. Natuurlijk moet Wagner op televisie nu concurreren met de bakken afval die Fons `Seki' van Westerloo dag in, dag uit over ons uitstort, maar dat betekent helemaal niet dat Wagner het uiteindelijk zal verliezen. Het dwingt je alleen naar de Ring te kijken in een nieuwe context, vanuit de ervaring van het heden.

Het wegvallen van wat ik maar de gecanoniseerde blik zal noemen, het zich openstellen van de `hogere' kunst voor de massacultuur, dwingt de kunst om werkelijk nieuw te zijn. Kijk maar naar de onverwachte opleving van de Hollywood-film, in de jaren tachtig en negentig synoniem met de commerciële verwatering en plat massavermaak en nu ineens weer het medium voor authentiek geïnspireerde kunstenaars.

Op de kunstpagina van deze krant zei Rutger Wolfson, de jonge, nieuwe directeur van de Zeeuwse kunstinstelling De Vleeshal, dat hij in het kunstblad Artforum de foto's bij de advertenties interessanter vond, dan de `officiële' kunst in het blad. Dat kan heel goed zijn, maar het lijkt me geen principiële kwestie, waar je algemeen geldende stelligheden over zou kunnen beweren. Het verdwijnen van het onderscheid tussen hoog en laag opent je de ogen voor de werkelijke artistieke kwaliteiten van de reclamefotografie. Maar de relativisten, waartoe Wolfson zichzelf gelukkig niet rekent, scheppen er een pervers genoegen in alles evenveel waarde toe te kennen – en dus geen waarde.

Net zo is het heel goed mogelijk dat, zoals sommige mediafilosofen beweren, een door een commerciële omroep voor een massapubliek gemaakt programma als Big Brother belangwekkend avant-gardistische televisie is. Maar de verbetenheid waarmee zulke denkers vaststellen dat de zelfbenoemde, elitaire avant-garde nu in het stof bijt, maakt me wantrouwig. Opnieuw wordt het wegvallen van de massacultuur en traditionele cultuur als een onbetwiste overwinning van de massacultuur voorgesteld. Eindelijk gerechtigheid!

Het getuigt van veel, heel veel wishful thinking. Hier zijn mensen aan het woord die het zichzelf gemakkelijk willen maken.

Nu de traditionele kunsten en instellingen op het gebied van de massacultuur zijn terechtgekomen, er ook niet meer aan kunnen ontsnappen en er dus onmiskenbaar door beïnvloed worden, wil dat nog niet zeggen dat alles relatief is. Heel goed vind ik het dat professor Boomkens eindelijk opkomt voor het dichterschap van Mick Jagger, daar is veel te lang op neergekeken, maar het maakt Wagner geen minder geniaal kunstenaar. End of Days met Arnold Schwarzenegger en American Beauty zijn beide Hollywood-films, gemaakt voor een groot publiek, maar de laatste film is kunst, grote kunst, en de eerste niet. Iedereen weet dat, let maar op het verschil in gemoedsgesteldheid wanneer je de bioscoop uitloopt. Ook al zullen er nog wel een paar overinterpreterende filmprofessoren zijn die de overspannen goed-en-kwaad symboliek in End of Days zo cultureel weten te duiden, dat het al snel op kunst lijkt. Massacultuur is immers ook kunst, voor de rest van de wereld blijft het fijn idioot vermaak. Het raakt niet aan de manier waarop je leven ervaart, juist niet, die schijnervaring is nu net de bedoeling, dat maakt het massavermaak. Daar is niets op tegen, zolang je zo'n film niet voor kunst aanziet.

Onze cultuur is een zwevende cultuur geworden. Wat verankerd leek, is losgeraakt. Wat eeuwig leek, lijkt plotseling hopeloos kwetsbaar of vergankelijk. Wat waardevast leek, blijkt aan heftige koersschommelingen onderhevig. Alles wat klein en individueel wil zijn, weet zich altijd omringd door het massale. Dat geldt voor de samenleving, dus ook voor ons cultuurbesef. Het is in de beleving van cultuur dan ook niet anders dan in de rest van de samenleving: alles moet voortdurend opnieuw gedefinieerd worden. Juist dan gaat het erom de vragen zo scherp, maar ook zo onbevooroordeeld mogelijk te stellen. Wat is kunst – voor ons, nu, in deze tijd, in deze wereld?

Met pessimisme doen we onszelf tekort, lijkt me. Relativisme is de dood.

Klassieke muziek dient alleen nog om junks van de perrons te jagen, roepen de pessimisten

Over kwaliteit valt niks zinnigs te zeggen, menen de relativisten

Herstel Bas Heijne

In het essay van Bas Heijne over de hoge en lage cultuur Eerst naar Wagner, dan naar Hazes in het CS van vorige week, zijn tot onze spijt door een technische storing de eerste regels weggevallen boven aan van de laatste vijf kolommen. Hieronder staan de 5 intacte overgangen. Overigens is Heijne's essay op de debatpagina Tegenspraak op www.nrc.nl na te lezen. Zie ook dit CS pagina 4.

1. Net zoals er nu geroepen wordt dat er toch echt niemand zal zijn die werkelijk naar het woordenboek grijpt en Jippus et Jannica zal ontcijferen. Je denkt toch niet dat men al die gebonden klassieken waarmee de boekhandel ligt volgestouwd, echt tot zich neemt? Het zijn malle oprispingen, anders niet.

2. Beiden trekken strakke grenzen tussen traditionele cultuur en massacultuur, en o wee als die overschreden dreigen te worden. Er bestaat een chronische onwil om zich in de ander te verdiepen.

3.,,Met deze gelijkschakeling is het respect en de belangstelling voor de klassieke, gecanoniseerde cultuur weggeëbd'', meldt onderzoeker Jos de Haan.

4.De voorstellingen van Wagners Ring door de Nederlandse Opera vorig seizoen werden, vertoond op een scherm in het Amsterdamse Oosterpark, door duizenden bijgewoond, een latere televisieregistratie trok nog eens ettelijke tienduizenden.

5. Opnieuw wordt het wegvallen van de massacultuur en traditionele cultuur als een onbetwiste overwinning van de massacultuur voorgesteld. Eindelijk gerechtigheid!