Een gedeelde illusie

Er wordt gesnakt. Er wordt aanbeden. Er wordt maandenlang geteerd op de verrukkelijke aanblik van Elvira of een naamloze Kroatische, of op een fototje van de Kroatische als zij zich niet laat zien. De wereld volgens Arnon Grunberg is de wereld van de onverbeterlijke liefdesdroom.

De liefde zelf komt er alleen nooit van, de wereld is veel te gevaarlijk om je daaraan uit te leveren. De wereld valt uiteen in winnaars en verliezers. Menselijk contact is een transactie waar je bij moet winnen. Het is handel, koop en verkoop van gevoelens, en of die gevoelens door de ander werkelijk worden gevoeld kun je nooit zeker weten. Zodat iedereen tenslotte altijd reddeloos alleen is, ook wanneer hij met een ander is.

De wereld van de liefdesdroom verandert daarmee in de wereld van de wanhoop. Alles wordt een rollenspel, je speelt de rol die je het beste uitkomt voor je lijfsbehoud. Er zijn geen vaste waarden, er is geen doel, geen zin, geen lot, er is niet eens een God die op de speelvloer uitkijkt en de wanhoop ziet. Je speelt je leven als het ware voor een camera waar geen film in zit. Je speelt voor niemand anders dan jezelf.

Uit die wijsheid trekken Grunbergs helden op den duur de consequentie. Als er aan dat spel niet te ontkomen valt, kun je maar beter zorgen dat je het goed speelt. Ze koppelen zich los van hun gevoelens en gebruiken die uitsluitend instrumenteel. De ik uit Blauwe maandagen verruilt de liefde voor een escortservice en zijn geestverwant uit Figuranten wordt `geldwolf' van beroep. Ze nemen afstand van zichzelf en spelen het spel voortaan voluit, als spel om het spel.

In die houding ligt de crux van Grunbergs werk, want deze uit zichzelf ontsnapte helden zijn ook de vertellers van zijn boeken. Ze vertellen over hun liefdesdroom in de verleden tijd, op de toon van iemand die inmiddels beter weet. Het amuseert ze en ze zijn daardoor in staat tot een miraculeuze transformatie. De ellende van toen verschiet van kleur. De wanhoop wordt vermakelijk. De liefde krijgt een soort Ersatz in humor. `Ik dacht toen dat wanhoop iets ernstigs was', verduidelijkt de held van Figuranten. `Wanhoop is uitermate droog en komisch.'

Die uitkomst heeft iets hoogst aantrekkelijks, zoals bij iedere methode om ellende af te wentelen. Maar de beperkingen zijn helaas aan Figuranten zelf al af te zien. De held maakt zijn verleden komisch door er zo ver boven te gaan staan dat hij het niet meer voelt. Hij kan er tegen schoppen zonder dat het pijn doet. Hij verzoent zich dus niet met zijn wanhoop, hij verzoent zich hoogstens met de wetenschap dat hij zich voor de wanhoop, en dus voor het hele leven, heeft afgesloten.

Grunbergs niet geringe komische talent had daardoor tot nog toe voor mij soms iets steriels en levensarms, iets dat niet troost maar doodslaat. Hij doet denken aan het type schrijver dat zich in zijn werkkamer onkwetsbaar maakt voor de verschrikkingen die hij zijn personages ondertussen aandoet. Hij maakt grappen die hemzelf niet raken, als hij schiet bleef hij zelf buiten schot.

Maar Grunberg is een schrijver vol verrassingen. Want laat dat nu precies die levenshouding zijn die onderwerp is van zijn nieuwe, derde roman. Fantoompijn geeft het woord aan Robert G. Mehlman, als vanouds een held van verknipten joodsen huize, Nederlands maar levend in New York, en als vanouds van plan de werkelijkheid van zich af te houden. Deze keer is hij alleen geen escort-boy of geldwolf. Hij is schrijver.

`Schrijven', legt hij uit, `was natuurlijk het middel bij uitstek om niet te hoeven leven en toch de illusie te hebben er middenin te staan, in het leven, het in alle heftigheid mee te maken. Terwijl je stiekem zelf aan alle touwtjes trekt.' Hij ziet dat niet als een toevallig voordeel van zijn vak, het is de kern ervan, zijn vaste overtuiging. Als de werkelijkheid onleefbaar is, kun je maar beter in verhalen leven. Fictie, dat is wat de mensen nodig hebben. Bedrog, dat is waar ze van houden. De illusie is alles, zegt hij, `en wat misschien nog belangrijker is, de illusie is te koop.'

Door de wereldwijde verkoop van zijn werk kan Mehlman zich ook in zijn dagelijkse leven in illusies wentelen. Hij eet in restaurants, reist in een limousine met chauffeur en heeft een secretaris die het leven voor hem regelt. Geld, zo stelt hij vast, maakt alles mooi. Niet eens door het rijk zijn op zich, maar door de indruk die je daarmee maakt.

Mehlman speelt het loze spel van de wereld kortom virtuoos. Hij regisseert zichzelf, hij regisseert ook zijn omgeving, en soms lukt het hem de werkelijkheid te ensceneren als was het zijn eigen werk. De mensen om hem heen worden zijn personages en hijzelf gaat ook in zijn verhaal geloven. Een moment van puur, eufoor geluk.

Maar Grunberg laat hem met die euforie niet wegkomen, tot mijn tevredenheid, de werkelijkheid dringt zich weer op. De verkoopcijfers van zijn oude werk lopen terug en alle voorschotten van zijn nieuwe werk, waar hij maar niet aan toekomt nu hij van zijn eigen leven een verhaal maakt, heeft hij uitgegeven. Zijn creditcards worden geweigerd, hij raakt aan de grond.

Recepten

Wat dan te doen? Wie met zijn rug tegen de muur staat, kan alleen op volle kracht vooruit, vindt hij, en zo verplaatst hij zich in een stretched limousine met waterbed van New York naar een casino in Atlantic City. Daar verliest hij ook zijn allerlaatste vijfduizend dollar, maar nog altijd niet getreurd. Een bedelrondje langs zijn uitgevers herinnert hem eraan dat hij voor Duitsland ooit een boek over de Pools-joodse keuken had beloofd. Wat weliswaar een idioot idee was, hij weet niets van welke keuken dan ook, maar met een beetje mazzel is het lonend en dus plaatst hij een advertentie met een oproep aan deskundigen op dit terrein. Dat brengt hem na uitzinnige omzwervingen in Yonkers, waar een oude joodse dame honderden recepten en bijpassende verhalen voor hem klaar heeft, en die timmert hij ter plekke tot een boekje dat vervolgens alle bestsellerlijsten haalt. De Pools-joodse keuken in 69 recepten, ook wel: Koken na Auschwitz.

Zo is Mehlman aan het eind van zijn relaas weer boven Jan, hij heeft het spel opnieuw gewonnen. Maar het kan de lezer niet ontgaan hoeveel hij ondertussen heeft verloren. Er is niets meer aan hem dat geen spel is, geen namaak, hij is min of meer verdwenen uit zijn eigen leven. Een verramsjte man, stelt hij zelf vast. `De winkel die mijn naam droeg was nu leeg. De faillissementsverkoop was al geruime tijd aan de gang en was, het kan niet anders gezegd, een doorslaand succes.'

Het resultaat is de totale eenzaamheid. Hij leeft als een gevangene van de illusie die hij zelf geschapen heeft, hij is niet meer alleen de regisseur en speler van zijn eigen leven, maar ook toeschouwer en kaartjesknipper. Anderen kent hij alleen nog in de vorm van een gemis daaraan, een pijn die geen concreet object meer heeft. Fantoompijn, naar de titel van het boek, en door die pijn loopt het nog lelijk met hem af.

Die pijn gaat bovendien nog over op een zoon – zoals zo vaak bij Grunberg, in zijn werk is er altijd een tweede generatie. Deze zoon blikt in een voor- en nawoord op zijn vader terug en komt ten slotte met een uitspraak die mij de moraal van dit verhaal lijkt. `Ik kan en wil niet in de werkelijkheid van mijn vader leven, omdat die werkelijkheid onleefbaar is.'

Hinderlaag

Zo tapt dit boek uit een heel ander vaatje dan Grunbergs vorige romans. Weg uit het isolement van de verbeelding. Het lege spel om het spel met de wereld is een hinderlaag, een valstrik waar je niet meer uitkomt. Het verweer tegen de wereld blijkt net zo onleefbaar als de wereld zelf, dus vluchten kan niet meer, en daarmee rijst een heel andere vraag. Waar is er nu in hemelsnaam nog redding?

Het is uiteindelijk die vraag waarmee je Mehlman in gevecht ziet, in die limousine van New York naar Yonkers en van de regen in de drup. Hij zit daar niet meer veilig boven het gewemel van de werkelijkheid. Hij houdt zich dapper aan de laconieke, losse toon van Grunbergs eerdere romans, en houdt ook een grunbergiaans oog voor de slapstick van het leven. Maar hij blijft daarbij zelf niet meer buiten schot.

In de verwarring en de eenzaamheid van dat besef voorziet hij zich van het gezelschap van een vrouw – zomaar een vrouw die zich die dag bij hem heeft aangediend met een pakketje. Een verwaaid en tobberig wezentje, niet mooi ook, een soort trol, maar iets doet hem vermoeden dat ook haar de wanhoop op de hielen zit en hij neemt haar mee.

Ze vormen een ondenkbaar koppel en voor Mehlman is daar dan ook helemaal geen sprake van. Als speler doet hij aan geen andere intimiteit dan de `gelogen intimiteit', de soort die zonder consequenties blijft, geen aanspraak op de toekomst van de ander maakt en geen besef van het verleden van die ander heeft. Volkomen anoniem, een zeepbel, meer mag het trolletje echt niet verwachten. Aan de andere kant, beseft hij, is juist anonimiteit de beste voedingsbodem voor verliefdheid. Aan een vreemde kun je een illusie ophangen, voor een vreemde kun je een illusie zijn. Hoe komen mensen er toch bij dat anonimiteit liefdeloos zou zijn? Wat is er liefdeloos aan, iemand de illusie mee te geven dat hij mooi is en begeerlijk?

En zo, juist op een dood moment, als geen van beiden iets te zeggen weet, op een moment dat Mehlmans schulden groeien en de wanhoop naderbij sluipt en hij snakt naar een illusie, komt het er toch van. Ze beginnen aan een zoen, aan een verhouding, aan een tijd van puur geluk, en dan wordt duidelijk waar Mehlmans redding ligt. In een illusie die je niet isoleert, maar die je deelt.

De liefde, toch de liefde. Met Fantoompijn keert Grunberg terug naar waar hij ooit begon. Er is geen twijfel aan dat deze liefde niet de minste kans van slagen heeft, dat Mehlman zijn verweesde trolletje weer in de steek zal laten, dat hij zich nooit aan een ander mens zal overgeven, dat hij de regie nooit zal durven loslaten, dat hij heel die liefde achteraf zal afdoen als illusie, en misschien met recht – Grunberg handhaaft al zijn vroegere bezwaren. Maar het is wel een noodzakelijke illusie.

Het is die dubbelzinnigheid van het onmogelijke en noodzakelijke die Fantoompijn tot een heel bijzonder en voor Grunberg heel verrassend boek maakt. Het is als de liefde die het je laat zien, volstrekt ironisch en toch met volle overgave. Door en door geveinsd, maar de vonken spatten ervan af. Ongemakkelijk anoniem, maar even ongemakkelijk intiem. Een spel om het spel en tegelijk een afrekening daarmee. Een en al wanhoop – en juist daardoor eindelijk echt komisch.

Arnon Grunberg: Fantoompijn. Nijgh & Van Ditmar, 256 blz. ƒ39,90

Nederlandse literatuur