Een façade van warm geweld

Meer dan vijftig kunstenaars tonen hun werk in de straten van Gent, op uitnodiging van museumdirecteur Jan Hoet. In de strijd om aandacht blijkt de concurrentie van de stad aanzienlijk.

Gent heeft grootse plannen deze zomer. Overal in de stad klopt en boort, graaft en gromt het. De komende maanden viert Gent de afsluiting van het Keizer Karel-jaar en daarom is er de komende maanden voorzien in tientallen activiteiten. Flanders Expo wordt gehouden, diverse tentoonstellingen over Keizer Karel en een `Giga-braderij' door de hele stad. Ook Jan Hoet, directeur van het S.M.A.K., Gents Stedelijk Museum voor Actuele Kunst, levert een bijdrage: voor het eerst sinds zijn fameuze Chambres d'Amis organiseert hij een grote tentoonstelling `extra muros'. Onder de titel Over the Edges plaatsten meer dan vijftig kunstenaars op uitnodiging van Hoet hun werken door de stad. Michelangelo Pistoletto bijvoorbeeld, exposeert vier bronzen `klonen' van zichzelf op een straathoek. Sisley Xhafa transformeerde de wachtkamer van het politiebureau tot een boudoir, Stefan Kern zette en enorm spinnenweb tegen het Gravensteen en Pipilotti Rist toont haar nieuwste film in de parkeergarage op het St. Michielsplein.

Het grootste beeld van deze zomer is echter te vinden op het Emile Braunplein, aan de voet van het Belfort. De dag voor de opening van Over the Edges gonst het er van de drukte. Het plein staat vol met hekken, auto's en hijskranen, gehelmde werklieden lopen af en aan. Er wordt gebouwd aan een enorme constructie die begrensd wordt door vier, zeker twintig meter hoge, stalen masten. Daartussen hangt een zware metalen bak, uit de onderkant bungelen dikke groene draden. Het ziet er allemaal indrukwekkend uit – passanten stoten elkaar aan en vragen welke kunstenaar er voor dit megaproject verantwoordelijk is.

Mis.

Op het Braunplein verrijst die andere Gentse trots van deze zomer: de Grootste Bloembak Ter Wereld. Het is een initiatief van de Gentse bloemenhandelaar Jos de Troyer die er het Guiness Book of Records mee wil halen. En dat zal hem lukken, met deze dertig ton zware bak van tien meter doorsnee, die gevuld gaat worden met 32.000 bloeiende perkplanten. Vanaf 19 april kunnen de toeschouwer bovendien op 17 meter hoogte langs de bak wandelen en, terug op de grond, uitpuffen op de teakhouten terrasjes die De Troyer eromheen laat inrichten. De Grootste Bloembak Ter Wereld zal de komende maanden veruit het opvallendste beeld zijn in het Gent, maar met Over the Edges heeft hij niets te maken. Op de persconferentie, voorafgaande aan zijn tentoonstelling, distantieerde Jan Hoet zich officieel van de bak.

Hoe begrijpelijk die distantie ook is, helemaal terecht is het niet. Je hoeft maar een paar uur door het oude centrum van Gent te lopen om te zien dat die bak daar uitstekend op zijn plaats is. En dat ligt aan de stad. De afgelopen jaren heeft zich in het hart van Gent, in het bijzonder het gebied rond de Korenmarkt en de Sint Baaf, een opmerkelijke verandering voltrokken. Het stadsdeel is langzaam getransformeerd, van een leefgebied waar mensen wonen en werken, in een environment – een verkapt openluchtmuseum van de vijftiende tot en met de zeventiende eeuw.

Daarbij is niets aan het toeval overgelaten. Op de straten is al het asfalt zorgvuldig vervangen door kleine klinkertjes. Auto's worden er geweerd, de lantaarnpalen zijn bekroond met wapens uit de Gentse historie, de gevels van de huizen zien er uit alsof Jan Van Eyck ieder moment naar buiten kan komen lopen. Het hart van Gent heeft zichzelf omgebouwd tot een grote façade, een façade waarin de tijd is uitgeschakeld – het lijkt meer dan symbolisch dat geen van de vier klokken op de toren van het Belfort de juiste tijd aangeeft. En het pas helemaal bij de sfeer waarin je als bezoeker vakkundig wordt gebracht. Dat is de sfeer van knussigheid en verleden, van Anton Pieck en oude Belgen, en sfeer waarin de toerist snel geneigd zal zijn om nog eens zo'n café in te duiken en zich tegoed te doen aan de geneugten van de Belgische weelde. Voor de totale Disneyficatie van Gent ontbreekt er alleen nog één ding: behalve het Lam Gods heeft de stad geen attracties. Maar geen zorgen: voor de komende zomer is die leemte ruimschoots gevuld. En dus: komt u binnen, Grootste Bloemenbak Ter Wereld. En welkom ook, Jan Hoet, met uw Over the Edges. Hoeveel beelden nam u ook weer mee?

Goofy

Hoewel veel kunstenaars het geen aantrekkelijke gedachte zullen vinden om in Gent voor Goofy te spelen is de confrontatie tussen de kunst en vermaak wel een prikkelend vervolg op de recente ontwikkelingen in de beeldende kunst. Ontwikkelingen die Hoet zelf mede in gang heeft gezet – al lijkt hij zich daar, gezien zijn depreciatie van de Bloemenbak, niet direct van bewust.

Zelf ziet de museumdirecteur Over the Edges het liefst als opvolger van Chambres d'Amis, de tentoonstelling die hij in 1986, bij gebrek aan een museum, in tientallen Gentse huiskamers organiseerde. In die tijd was dat een revolutionair project: voor het eerst werd de kunst, die toen nog door de conceptualisten werd gedomineerd, uit de sacrale huls van het museum gehaald en naar de huiskamer, tussen het publiek gebracht. En dat bleek precies waar het publiek op zat te wachten. Chambres d'Amis was een groot succes en Hoets concept vond overal navolging.

Maar in de veertien jaren die verstreken is er in de kunst veel veranderd. Steeds meer kunstenaars doen nu uit zichzelf waar Hoet ze destijds nog toe moest uitnodigen: ze richten zich met hun werk nadrukkelijk op het publiek. Dat is niet alleen een reactie op het feit dat het publiek steeds meer van de kunst vervreemd raakte, maar ook doordat de traditionele, museale kunst steeds minder op zijn historische, bevoorrechte positie kan rekenen. De beeldende kunst krijgt concurrentie: van amusement, van televisie, van reclame, van internetsites die allemaal om de aandacht van het publiek schreeuwen en geen middel schuwen om die af te dwingen. `Traditionele' kunst is voor televisiemakers of Internetters nauwelijks nog een issue: als zij de kunst al gebruiken, dan is het om er uit te citeren of er een grap mee te maken – niet omdat ze er tegenop kijken.

Op de tentoonstelling German Open, tot voor enkele weken geleden in het Duitse Wolfsburg, was te zien wat deze ontwikkeling bij de jongste generatie beeldende kunstenaars teweeg heeft gebracht: zij zijn naarstig op zoek gegaan naar een verhouding tot de nieuwe beeldcultuur. Sommigen gooien definitief alle kunst-verworvenheden als gelaagdheid, historisch bewustzijn en bereidheid tot interpretatie overboord en maken ongegeneerd amusement – dat zijn de kunstenaars die de grensoverschrijding omarmen. Anderen, op German Open een kleine meerderheid, zoeken een eigen verhouding tot die nieuwe beeldcultuur. Ze geven er een draai aan, leveren er commentaar op, zoeken een nieuwe gelaagdheid. Maar de nieuwe beeldtaal is krachtig. En daardoor, hoe dapper hun pogingen ook zijn, lijken deze jonge kunstenaars al snel op kleine jongetjes die amechtig achter de grote optocht aanhollen. Nu, in het kader van die ontwikkeling komt Over the Edges precies op het goede moment – in de context van het historische Gent, inclusief Grootste Bloembak Ter Wereld, kan de beeldende kunst laten zien wat ze vermag.

Maar dat valt niet mee. Wie door Gent wandelt, bedwelmd door de klinkertjes en vlaggetjes, merkt al snel dat veel werk op Over the Edges teveel uitgaat van een welwillende blik van de toeschouwer. En daarvoor is de concurrentie van de stad te zwaar. Veelzeggend is dan ook dat de werken die wel stand houden zonder uitzondering zijn gemaakt door `reizende kunstenaars', de jongste `grote namen' die hun werk de laatste jaren maken over de hele wereld en daarbij hebben geleerd zich in iedere situatie te onderscheiden.

Het mooiste voorbeeld hiervan is Cinquante-Fifty van Pipilotti Rist, de koningin van deze `airport-artists'. Zij toont opnieuw hoe bedreven ze is in het slechten van de grenzen tussen kunst en werkelijkheid door twee keer de goede keuze te maken. Allereerst onttrok ze zich aan de knusheid van het oude stadshart door in een kale, nog niet afgebouwde parkeergarage te gaan zitten. Vervolgens maakt ze daar een werk dat heel slim op die situatie inspeelt. Op twee hoekwanden van de garage toont Rist twee keer dezelfde film van een naakte man, die eenzaam over een stuk snelweg loopt. De weg is verlaten, er is geen auto te zien, op de achtergrond klinkt melancholieke new-age muziek, waardoor de man net een Neanderthaler lijkt die op de verkeerde tijd en de verkeerde plaats is beland. Maar dat verandert als er, in de parkeergarage zelf, ineens een echte auto voorbij komt. Hij schijnt met zijn lichten op het scherm en brengt de man even in levensgevaar – je weet dat de werelden gescheiden zijn, maar toch hou je je adem in.

Schildpadden

Andere kunstenaars beperken zich in Gent tot kleine gestes. Juan Muñoz bijvoorbeeld zette een kleine, grijze man in de etalage van een winkel in oude prenten – het mannetje, overduidelijk een beeld, ademt af en toe op de winkelruit, zodat je de neiging hebt je eigen neus door de ruit tegen de zijne te drukken. De Chinees-Franse kunstenaar Huang Yong Ping liet onder een tiental Gentse verkeersborden kleine stenen schildpadden aanbrengen, die de borden op hun schilden lijken te dragen. Je ziet ze zo over het hoofd, en daarom werkt het – door de vele verkeersborden en de onnadrukkelijk aanwezige schildpadden ben je geneigd te denken dat ze door de hele stad heen schuifelen.

De kracht van het werk van zowel Muñoz als Ping is dat zij zich niet hebben laten verleiden om de strijd met de Gentse wereld aan te gaan. Haim Steinbach daarentegen faalt omdat hij probeert de draak te steken met de Gentse vertrutting. Op het dak van het Conservatorium heeft hij een woud aan typisch Gentse T-vormige schoorsteentjes neergezet. Als commentaar strandt het echter doordat de toeschouwers niet met de schoorsteentjes bekend zijn. En weg is het effect. Iets soortgelijks geldt voor Tony Matelli, die op willekeurige plekken in de stad perfect nagebouwde blindengeleidenhonden achterlaat die te kort vertederen, en Marco Boggio Sella die een enorme, oranjerode cycloop op het St. Michielsplein zette. Een aardig, sprookjesachtig beeld is het, dat overal vervreemdend had gewerkt; in het rustieke Gent verwacht je alleen maar dat hij ieder moment `Papier hier' gaat roepen.

Onvermurwbaar

In hun voordeel spreekt in ieder geval dat deze kunstenaars zich nog rekenschap van hun situatie hebben gegeven. Echt gênant zijn de bijdragen aan Over the Edges die nergens rekening mee houden – en pijnlijk genoeg zijn die bijna altijd van de oudste deelnemers, van de generatiegenoten van Hoet, die hun finest hour beleefden rond Chambres d'Amis. Nu zijn ze star en onvermurwbaar – wat de situatie ook is, ze doen onverstoorbaar wat ze overal doen. En dus heeft Joseph Kosuth zijn boekenkast maar weer eens omgetrokken; dit keer viel er een tekst van Walter Benjamin uit, die door Kosuth zoals altijd trouw in neonschrift is omgezet – het resultaat hangt op de stadsbibliotheek. Bernd Lohaus benadrukt het `talige aspect' van de Vlaamse gemeenschap door op verschillende plaatsen in kleine metalen letters het woord `Wij' op te hangen, samen met een vertaling van dit woord in het Frans of Duits – de toeschouwer die het werk kan vinden zal schouderophalen vermoedelijk nog te veel eer vinden. Dieptepunt op Over the Edges is Caution van David Hammons. In normale doen is Hammons een prachtkunstenaar, een terecht gerespecteerde nestor van de Amerikaanse kunst. Nu heeft hij op de hoek van de Koningsstraat en de Vlasmarkt de stoeptegels weggehaald en een gat van een centimeter of dertig laten graven. Erom heen staan waarschuwingsbordjes, alsof hier werk in uitvoering plaats vindt – en dat is alles. Je vraagt je af hoeveel zelfoverschatting en eigenwaan er nodig is om te denken dat er in een stad die staat te trillen van de werkzaamheden iemand zal opkijken van, laat staan zich zal verbazen, over een gat in de stoep.

Hoe pijnlijk het ook is, al deze werken maken duidelijk dat de beeldende kunst slecht raad weet met haar positie in een nieuwe cultuur die beelden veel gevarieerder weet te gebruiken. Maar er lijkt ook geen reden om te wanhopen. Op Over the Edges wordt eveneens duidelijk dat er altijd weer kunstenaars tevoorschijn komen die inventief genoeg zijn om hun eigen, gelaagde commentaar op de wereld te geven. Sommigen, zoals Pipilotti Rist onttrekken zich aan het warme geweld van Gent. Of ze ondergraven het, zoals Huang Yong Ping. Of ze verliezen zich in kleine dromen, zoals de Belgische kunstenaar Honore d'O, die op willekeurige plekken in de stad aan doorzichtig visdraad kleine kristallen balletjes ophing, die lijken te zweven in de lucht. Dat levert onverwachte, poëtische beelden op, die doen denken aan de veelgeroemde zwevende plastic zak uit American Beauty – maar dan beter.

En er bestaat nog een andere manier om je aan de Disneyficatie te onttrekken – namelijk door je op te werpen als de Grote Boze Wolf. Die rol wordt op Over the Edges met verve gespeeld door de Belgische kunstenaar Jan Fabre, al is het de vraag of hij zich daar bewust van is. Fabre wist in ieder geval op de dag voor de opening een heuse crisis te veroorzaken, die al snel de `hesp-crisis' werd gedoopt: als bijdrage besloot Fabre de acht, tien meter hoge, Corintische zuilen van de universiteitsaula te beplakken met gerookte ham, in totaal zo'n 630 kilo, die vervolgens met doorzichtig plastic werd bedekt. Dat is een mooi gezicht, alsof de zuilen een nieuw dek van marmer hebben gekregen – maar daar was niet iedereen het mee eens. Al op de dag voor de opening verzamelden zich de eerste woedende demonstranten, die Fabre misbruik van vlees verweten. Ze dreigden met honden en trokken aan de steigers waarop werkmannen de laatste hesp-plakken aan het draperen waren. Ze eisten een onderhoud met Hoet, die drie kwartier voor ze uittrok, overigens zonder iets aan het werk te veranderen. Dus stonden ze er op de dag van de opening weer, dit keer met borden met foto's van biggetjes en teksten als `Met dit geld konden daklozen geholpen worden!!' en `Is dit kunst? Over mijn lijk!!'

Hoe cynisch het ook klinkt – Fabres werk werd er alleen maar beter van. Waar zijn hamkleed gemakkelijk decoratie was gebleven, zorgden de demonstranten ervoor dat consequenties van zijn beeld er bij de toeschouwers stevig werden ingeramd. Vooral de protestborden met kleine varkentjes deden het goed. En passant zorgden de demonstranten ook voor iets anders: ze neutraliseerden het soezelige, tijdloze bad waarin de overige werken op Over the Edges worden gedompeld. De demonstranten bewezen dat de `oude' kunst zich niet hoeft neer te leggen bij de opkomst van de `nieuwe'. En dat de `oude' de `nieuwe' niet slaafs achterna moet lopen. Onderscheiden en prikkelen, daarmee kan de beeldende kunst zich nog steeds bewijzen – of ze daar nu 630 kilo hesp voor gebruikt, of een klein kristallen balletje.

Over the Edges. T/m 30 juni in Gent. Dagelijks van 10-18 u, maandag gesloten. Info: 0032 70-233 518 of Internet: www.smak.be