De nucleaire houdgreep

In de namiddag van 11 mei 1998 begon de gloeiend hete woestijn bij het dorpje Pokharan in de Indiase deelstaat Rajasthan plotseling hevig te schudden. Een dreunend geluid weerklonk. Tevreden constateerden de zwetende Indiase kerngeleerden en ingenieurs even verderop dat hun proeven met enkele kernbommen volgens plan verliepen, al blijft tot op de dag van vandaag onduidelijk hoe zwaar de kracht van de explosies was.

Daarmee was de wereld een nieuwe kernmogendheid én een nieuwe zorg rijker. Ruim twee weken later volgde Pakistan het voorbeeld van zijn aartsvijand. In één klap groeide het subcontinent zo uit tot de regio in de wereld, waar de dreiging van een nucleair conflict het meest acuut is. Aan elke schermutseling in het omstreden Kashmir kleeft voortaan een extra verontrustende dimensie.

Voor het eerst is er nu een uitgebreide studie verschenen over de wordingsgeschiedenis van de Indiase kernbom, van de hand van de Amerikaanse politicoloog George Perkovich. Een makkelijk leesbaar werkje is het niet geworden en het laatste woord over dit thema zal het evenmin zijn, al was het maar omdat de auteur slechts op beperkte schaal inzage heeft gekregen in Indiase stukken.

Desondanks is het een belangwekkend boek met tal van interessante observaties. Zo is onthutsend te lezen hoe weinigen door de jaren heen werkelijk op de hoogte waren van het Indiase nucleaire programma en hoe geïmproviseerd de besluitvorming verliep. Een nationale veiligheidsraad, zoals die in andere landen wel bestaat, was er niet. Ook het parlement kwam er niet aan te pas. De uiteindelijke beslissing lag, voor zover Perkovich heeft kunnen achterhalen, steeds in handen van de premier. Die ging meestal maar zo'n beetje af op zijn of haar instinct, daarin bijgestaan door een handjevol naaste adviseurs en een beperkte elite van wetenschappers en technici.

Prestige

Uniek in de wereld van de kernwapens is voorts dat de Indiase strijdkrachten en het ministerie van Defensie nauwelijks een rol spelen in het verhaal. De premiers en de wetenschappelijke staf hielden het Indiase nucleaire programma altijd angstvallig uit handen van de militairen. Tekenend is dat minister van Defensie George Fernandes pas twee dagen voor de proeven in 1998 werd ingelicht door premier Vajpayee. Een diepere, zeer Indiase oorzaak hiervan zou volgens Perkovich kunnen zijn dat de politieke leiders en hun hoogste adviseurs en wetenschappers doorgaans tot de hoogste kaste van de Brahmanen behoorden, terwijl de militairen meestal deel uitmaakten van een lagere kaste. De Brahmanen bezagen de strijdkrachten altijd met enig wantrouwen.

Een voor de hand liggende vraag is waarom een groot maar straatarm land als India er toe kwam zoveel geld en expertise te steken in een nucleair programma. Waarom het geld niet uitgegeven aan onderwijs, gezondheidszorg of infrastructuur? Perkovich laat zien dat dit met een aantal factoren samenhing. Een centrale rol speelde de briljante en ambitieuze kerngeleerde Homi Bhabha, die de eerste premier van het onafhankelijke India, Jawaharlal Nehru, ervan wist te overtuigen dat kernenergie de toekomst had.

Op het gebied van de stroomvoorziening bleek dit al snel een illusie. De Indiase kerncentrales hebben nooit substantieel bijgedragen tot de stroomproductie. Niettemin werden er al vanaf 1948 aanzienlijke sommen gelds voor nucleaire research gereserveerd.

Daarnaast speelden prestige-overwegingen voor zowel Nehru als Bhabha een rol. De Indiase natie stond nog maar net op eigen benen na eeuwen koloniaal bestuur. Met een eigen nucleair programma plaatste het zich technologisch gezien in de voorhoede van de wereld. Bovendien was meteen duidelijk dat er aan de nucleaire programma's ook een interessante militaire en politieke kant kleefde. Wie kernwapens wist te produceren, leek mee te tellen in de wereld.

Net als zijn opvolgers worstelde Nehru hierbij met een specifiek Indiaas dilemma. Aan de ene kant wilde hij dat India serieus werd genomen in de wereld; de status van kernmogendheid zou daarbij helpen. Daarom stond hij toe dat Bhabha en zijn deskundigen zich oriënteerden op de mogelijkheid van eigen kernwapens. Aan de andere kant koesterde Nehru een gevoel van `morele superioriteit', zoals Perkovich het omschrijft. India, het land van Mahatma Gandhi en de geweldloosheid, wenste zich verre te houden van het platte gebruik van militair geweld, zoals dat onder veel andere staten gangbaar was. Kernwapens pasten niet in dat zelfbeeld.

Ook in de periode na Nehru's dood in 1964 bleef India steeds zweven tussen deze beide polen. Het zette zijn onderzoek naar kernwapens voort, zij het op een laag pitje, maar koos nimmer voluit voor kernwapens. Het werd geen partij bij het non-proliferatieverdrag van 1968. Op internationale fora bleef het nadrukkelijk pleiten voor ontwapening van alle kernmogendheden.

In 1974 voerde India niettemin een eerste experimentele kernexplosie uit. De toenmalige premier Indira Gandhi, Nehru's dochter, verzekerde echter in alle toonaarden dat het slechts een kernproef voor vreedzame doeleinden betrof. Inderdaad duurde het vervolgens 24 jaar tot India met een heuse kernbom kwam, veel langer dan veel buitenlandse deskundigen hadden verwacht. Dat had alles te maken met het eerder geschetste dilemma.

Nog in 1995 voerde het semi-nucleaire India een eenzame en hardnekkige strijd tegen de andere kernmogendheden om verlenging van het in Indiase ogen onrechtvaardige non-proliferatieverdrag te voorkomen. Dit gunt immers het exclusieve recht op kernwapens aan de vijf grote mogendheden: de VS, Rusland, China, Frankrijk en Groot-Brittannië. En als er één ding onaanvaardbaar was voor India, dan dat wel. Met zijn antikoloniale reflexen wenste India niet als tweederangs land te worden behandeld. In 1996 en 1997 volgde eveneens vergeefs verzet tegen het kernstopakkoord.

Uienprijzen

In 1998 kwam een abrupt einde aan de tweeslachtigheid. Er was een nieuwe regering aangetreden onder leiding van de rechts-nationalistische BJP. Die had er nooit een geheim van gemaakt India graag tot een nucleaire mogendheid te maken en zo geschiedde. De bevolking reageerde aanvankelijk extatisch maar erg lang duurde de geestdrift niet. Toen de uienprijzen enkele maanden later flink stegen, leek het electoraat de proeven alweer vergeten en stemde bij regionale verkiezingen massaal tegen de BJP. Bovendien legde het buitenland hinderlijke sancties op.

De vraag is intussen legitiem of de kernproeven van 1974 en 1998 India voordeel hebben opgeleverd. Op het terrein van de nationale veiligheid is dit twijfelachtig, betoogt Perkovich. India heeft vaak verwezen naar de nucleaire dreiging van China, waarmee het in 1962 nog een (verloren) oorlog voerde. Maar al heeft India nu net als China kernwapens, het is militair gezien nog geen partij voor de Chinezen, die veel meer kernwapens en meer raketten bezitten. India zou China nog maar beperkte schade kunnen berokkenen, als het wilde. Bovendien heeft India nu wel de argwaan van Peking opgewekt.

Ook het voordeel voor de betrekkingen met Pakistan is dubieus, vooral nadat dat over eigen kernwapens bleek te beschikken. `India had een militaire voorsprong op Pakistan', merkte een leider van de oppositie in mei 1998 fijntjes op. `We moeten niet vergeten dat een atoombom een sterk egaliserend effect heeft. Door deze proef is het voordeel dat India had weggevaagd.' Er zijn overigens nog geen aanwijzingen dat de wederzijdse betrekkingen onder de proeven hebben geleden. Van het tegendeel is evenmin iets gebleken.

Perkovich acht de kans intussen gering dat India afstand zal willen doen van zijn bescheiden nucleaire arsenaal. Tenzij er sprake is van een wereldwijde ontwapening, waaraan in elk geval ook China en Pakistan meedoen, zal geen enkele Indiase regering durven besluiten een eind te maken aan de nucleaire status van het land. Daarvoor zijn de Indiërs, ondanks hun armoede, te trots op `hun' atoombom.

George Perkovich: India's Nuclear Bomb. The Impact on Global Proliferation. University of California Press, 598 blz. ƒ95,10