`Allochtone peuters naar voorschool'

Om de taalachterstand van vooral allochtone kinderen bijtijds aan te pakken, zouden zij al op tweejarige leeftijd naar de zogenoemde `voorschool' kunnen gaan. Staatssecretaris Adelmund voelt er wel voor en de Tweede Kamer steunt haar.

Stuur peuters met een achterstand naar een `voorschool', adviseert onderzoeker dr. P. Leseman van het SCO Kohnstamm Instituut in Amsterdam. Uit onderzoek van dit instituut blijkt dat de aanpak van de achterstand op jonge leeftijd het meest effectief is. De peuters moeten dan wel een goed leerprogramma krijgen aangeboden door professioneel personeel.

De Tweede Kamer debatteerde gisteren met staatssecretaris Adelmund (Onderwijs) en staatssecretaris Vliegenthart (Welzijn) over die `vroeg- en voorschoolse opvang'. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat Marokkaanse, Turkse en Antilliaanse kinderen al bij het begin van de basisschool twee jaar achterlopen op hun Nederlandse leeftijdsgenootjes. Die achterstand halen ze tijdens de basis- en middelbare school niet meer in.

De staatssecretaris voelt daarom veel voor de voorschool. Ze wil dat daar met name veel aandacht wordt geschonken aan het taalonderwijs. En ze heeft nu eens de hele Tweede Kamer achter zich. Het rapport van Leseman kwam gisteren tijdens het debat dan ook veelvuldig ter sprake.

,,U adviseert in het rapport de voorschool voor kinderen met een achterstand. Het liefst zou u de zien dat daar de leerprogramma's Kaleidoscoop en Piramide worden gebruikt. Waarom zijn deze programma's beter dan de andere inititatieven die er zijn?

,,Veel programma's richten zich alleen op de taalverwerving. Maar de kinderen om wie het gaat hebben niet alleen een taalachterstand maar moeten ook in hun cognitieve en sociaal-emotionele ontwikkeling gesteund worden. Kaleidoscoop en Piramide pakken ook die tekortkomingen aan. Zo leren kinderen bijvoorbeeld samen te werken en ook bij moeilijke taken vol te houden.

Bovendien pakken deze programma's de taalachterstand breed aan. De kinderen leren niet alleen woorden, maar ook begrippen. Ze moeten bijvoorbeeld weten wat een tafel is en wat een stoel, maar ook dat het sámen meubels zijn. Ze leren de verschillen tussen groot en klein en dat iets groot én dik tegelijk kan zijn. Voor die kinderen is dat geen gemakkelijke opgave, maar het is onontbeerlijke kennis op de basisschool.

Enkele Kamerleden vroegen zich gisteren in het debat af of het leren op zo jonge leeftijd niet bezwaarlijk is. Tweejarigen moeten spelen, niet leren.

,,Het is spelenderwijs leren. Ik zal een voorbeeld geven uit de praktijk. Marokkaanse peuters zetten stoelen achter elkaar en spelen dat ze in een bus zitten. Vroem, vroem, ze maken geluiden van een rijdende bus. De leidster vraagt: `Waar gaan jullie naar toe?' `Goh', denken de kinderen, `we kunnen ook ergens heen.' `Op vakantie, naar Marokko', beslissen ze. `Moeten jullie niet wat meenemen', vraagt de leidster. Vervolgens gaan ze een koffer inpakken. Zo leren ze niet alleen verschillende woorden, zoals `bus' en `koffer'. Maar ze leren ook met elkaar te overleggen, hun gedachten onder woorden te brengen en zich een situatie voor te stellen. Door de vragen van de leidster houden ze het spel langer vol, maar het is zeker niet belastend.

Hoe weet u zo zeker dat deze programma's werken?

,,We hebben 300 kinderen uit het hele land drie jaar lang gevolgd. Dat waren voornamelijk allochtone peuters, maar er deden ook autochtone kinderen met een achterstand aan mee. Daaruit bleek dat achterstand ten opzichte van het gemiddelde autochtone kind nog vóór de basisschool voor de helft kan worden ingelopen. Het kan altijd beter, maar van de programma's die er nu voorhanden zijn in Nederland, zijn deze twee het meest kansrijk.

Wat moet Adelmund volgens u nu doen?

,,De voorschool overal invoeren waar die nodig is, zodat alle kinderen met een achterstand kunnen profiteren. Geen kleinschalige experimenten. Geen voorleesgroepjes in buurthuizen. Je kunt van tevoren inschatten dat het niet veel zal opleveren.

Dat is lastig, zegt Adelmund, want de gemeenten zijn verantwoordelijk voor het geld dat beschikbaar is voor achterstandsbeleid.

,,De decentralisatie van het beleid is te ver doorgeslagen. Voor de aanpak van de achterstanden is landelijke sturing nodig. Adelmund zou met de gemeenten afspraken moeten maken. Anders loop je het risico dat gemeenten hun eigen programma's ontwikkelen of voor goedkopere maar minder goede oplossingen kiezen. Daarnaast is het heel belangrijk dat verschillende partijen zoals de consultatiebureaus en de basisscholen samenwerken: de consultatiebureaus moeten kinderen met een achterstand doorverwijzen. Basisscholen moeten inspelen op de kennis die de kinderen in de voorschool hebben opgedaan.

Helpt het om de leerplichtige leeftijd te verlagen van vijf naar vier jaar, zoals de Tweede Kamer wil?

,,Nee. 98,8 procent van de kinderen gaat al met vier jaar naar school. Als de vierjarigen leerplichtig worden, ontneem je de ouders de mogelijkheid hun kinderen af en toe een dagje thuis te houden. Maar belangrijker is dat het informele leren al veel eerder begint. Daarom pleiten wij voor de voorschool voor kinderen vanaf tweeenhalf.

Adelmund is voor de vroegtijdige aanpak van achterstanden, maar ze wil ouders niet verplichten hun kinderen naar een voorschool te sturen.

,,Ze is bang voor stigmatisering en dat kan ik me voorstellen. Verplichten lijkt me ook niet nodig. Consultatiebureaus zouden de achterstand moeten signaleren en daarna deelname aan de voorschool dringend adviseren. Bijna alle ouders zullen daarvoor openstaan. Iedereen wil het beste voor zijn kinderen.