Agent van de achterdocht

Zijn hele leven ontmaskerde Paul de Groot agenten: vooral binnen de CPN. Een biografie bevestigt het onmenselijke daarvan. Ze toont ook een andere kant: een mens die geen raad wist met zichzelf.

De vraag kan nooit beantwoord worden. Toch speelt ze al jaren op. Niet alleen omdat if-history analytisch interessant blijft, maar ook omdat de vraag cruciaal is bij de eis tot rekenschap die zich na de Muur weer in alle hevigheid aandiende. Daarom nog één keer. Wat was er gebeurd als de communisten in Nederland de macht hadden gekregen? Wie zouden er naar Texel zijn verbannen? Waarom waren tienduizenden volgelingen blind?

Deze drieledige vraag wordt belichaamd in één persoon: Paul de Groot, die het Nederlandse communisme van 1930 tot 1977 heeft gedomineerd, die de CPN langer heeft geleid dan Stalin zijn CPSU, die `ouwe' met wie de geschiedenis van de partij samenviel en zonder wie ze geen bestaansrecht had.

Hoewel ik nooit communist ben geweest, heeft De Groot ook mij beziggehouden. Ik wilde weten wie de man was die het altijd had over de `kliek' waarin ik op school en universiteit een politiek tehuis zocht: de `restanten van de PSP'. Later zou die interesse journalistiek gerationaliseerd worden. De fascinatie werd gevoed met De man die faalde van Gijs Schreuders (1992) en niet verzadigd door de CPN-geschiedenis Dwars, duivels en dromend van Ger Verrips (1995) noch door het anekdotische Paul de Groot. Staatsvijand no 1 van Igor Cornelissen (1996). Is het einde in zicht met De man die de weg wees, de biografie van de Amsterdamse historicus Jan Willem Stutje? Zijn dissertatie over de enige serieuze stalinist van Nederland, die zijn lievelingskrant, de Frankfurter Allgemeine Zeitung, thuis onder het wakend oog van Stalin aan de muur las, is een schokkend boek. Twee fases in zijn leven zijn daarbij cruciaal: zijn jongste jaren te midden van een joods proletariaat dat wereldburger wilde worden en de oorlog, die deze illusie op middelbare leeftijd letterlijk om zeep bracht. Stutje zet alles op een rij, verklaart een hoop en biedt daarbij oud én nieuw materiaal.

Scheurmakerij

Paul de Groot werd in 1899 als Saul geboren op de Amsterdamse Zwanenburgwal: de joodse wijk waar arbeiders in een krot woonden, middenstanders op een benedenverdieping en burgers aan een gracht. Zijn vader was diamantslijper, stond vooraan in de vakbeweging en had een broertje dood aan het geloof, dat het klassenbewustzijn vertroebelde. Omdat het gezin voor werk naar België uitweek, groeide de jongen in Antwerpen op. Hij kon goed leren, maar kreeg de kans niet zijn talent op school te ontwikkelen. Op 13-jarige leeftijd moest hij gaan werken. Voor `lernen' resteerden de avonduren. Zo leerde hij zijn talen en bestudeerde hij de klassieken.

Als jeugdig proletariër stortte ook Paul zich in de vakbeweging. Na de Oktoberrevolutie van 1917 als communist met een rotsvast geloof in de Sovjet-Unie: eerst in de `wereldrevolutie' die Lenin in petto had, daarna in het `socialisme in één land' dat door Stalin werd opgebouwd. In Antwerpen ontmoette hij de dochter van een vrome juwelier die in 1912 voor de pogroms uit Lodz was gevlucht. Hij trouwde met Sally, het echtpaar kreeg een dochter (Rosie). Nadat De Groot in 1923 wegens agitatie het land was uitgezet, keerde het gezin na omzwervingen door Duitsland en Frankrijk in 1925 terug in Amsterdam. Gewapend met internationale ervaring en contacten meldde hij zich bij de partij. Er was veel werk te doen. In de partijen die zich bij de Komintern aansloten, stonden syndicalisten en bolsjewieken elkaar naar het leven. De Nederlandse was geen uitzondering. Eind jaren twintig waren er zelfs twee partijen.

Geïnspireerd door Stalin wilde De Groot met deze ziekelijke `scheurmakerij' afrekenen. Eerst uitte dit zich vooral in tekst. `Wat oud en versleten is, MENSCHEN EN METHODES, moet onbarmhartig worden neergehaald', schreef de net 31-jarige vakbondsman in De Tribune. Toen hij begin 1930 tot de partijleiding toetrad, kon hij de daad bij het woord voegen. Stalin ontketende in Rusland een `tweede revolutie'. De Groot maakte in Nederland korte metten met alles wat de `bolsjewisering' van de, merendeels door werklozen bevolkte, partij in de weg stond. De oekazes van de Komintern in Moskou werden zonder dralen uitgevoerd. Talloze kameraden werden opzijgeschoven. Keer op keer werden ze verrast door de leider in Amsterdam en Moskou. In 1938 werd De Groot zo de eerste man van de CPN.

Het doel heiligde de middelen. Maar De Groot was bovenal een intelligent netwerker die zijn tegenstanders de pas afsneed voordat hij toesloeg. Steeds ging het hem erom steun te verwerven in Moskou. Want zonder dekking uit het centrum geen macht over Nederland. Zie het Molotov/Ribbentrop-pact uit 1939. Voor naïevelingen kwam dit verdrag tussen Hitler en Stalin als een donderslag. Dat het socialistische vaderland gemene zaak met de nazi's maakte, was ondenkbaar.

Neutraliteit

De Groot was niet in verwarring, hij dacht groot. Op de keper beschouwd was hij zelfs té groot voor Nederland. Zo schreef hij na de Duitse inval, in juni 1940, een artikel voor Politiek en Cultuur waarin hij `waarlijke neutraliteit' bepleitte. Met als klap op de vuurpijl de aanmaning: `Dit betekent ook dat het Nederlandse werkende volk tegenover de Duitse bezetting in ons land een correcte houding moet aannemen'. Die zin was deels uit nood geboren, omdat de CPN zo geconcenteerd was geweest op een legale machtsgreep dat ze onvoorbereid was op een clandestien bestaan. Maar De Groot had ook oog voor de geopolitieke implicaties van het bestaan van zijn Sovjet-Unie.

Het hielp overigens niets. Een maand later werd de partij verboden en moest De Groot onderduiken. Via talloze adressen kwam hij terecht in Gorssel. De leiding van de communisten lag ondertussen in handen van een driemanschap dat een paar keer van samenstelling zou veranderen als de Sicherheitsdienst weer eens toesloeg.

De Groot droeg zijn lot aanvankelijk als een lastige maar onvermijdelijke verwikkeling in de veel belangrijker klassenoorlog. Hij was immers communist, al was hij voor de nazi's allereerst jood. Voor hem was antisemitisme nooit een Nederlandse kwestie geweest, maar een verschijnsel waarop Oost-Europa het patent had. Totdat in de nacht van 14 op 15 oktober 1942 een WA'er uit Zutphen besloot Gorssel op joden uit te kammen. Bij toeval viel hij het huis binnen waar De Groot, Sally en Rosie op de vliering sliepen. Rosie, door het lawaai wakker geworden, riep iets naar de gastvrouw. De NSB'er hoorde het en sleurde de drie één voor één naar beneden. De Groot rende door de achterdeur het bos in. `Loop, jongen, loop', riep zijn vrouw hem na. Sally en Rosie werden afgevoerd naar Westerbork waaruit ze nog een levensteken wisten te smokkelen. Daarna werden ze naar Auschwitz gedeporteerd en vermoord.

De Groot wist dat op zijn nieuwe onderduikadres bij zijn latere tweede vrouw niet. In juli 1943 schreef hij twee brieven die nooit zijn verstuurd. Stutje publiceert ze integraal. De Groot, een man die in de politiek `onverbiddelijk de oorlog verklaarde' aan het `opportunistische' wrakhout, schreef: `Saltje, 's nachts droom ik dikwijls dat ik jullie kom afhalen en we samen in de trein naar huis zitten, jullie mager, jij grijs en Roosje misschien krom van de ischias, maar toch levend en ademend. Dan komt alles weer terecht en zullen we een nieuw leven beginnen. Ik zal alles doen wat jij wil en zooals jij het wil. (...) Ik had je leven veel prettiger kunnen maken, ik heb je zo weinig gegeven. (...) Altijd was jij het die alleen achter bleef. (...) Altijd was jij het slachtoffer en ik was nog zo onverschillig voor je dikwijls. Mijn lieveling zonder jou ben ik niets en kan ik niets. (...) En ik was zo ondankbaar en heb je zo weinig geacht. Van binnen was ik niet anders dan nu, ik was helemaal met je vergroeid, maar ik liet het niet merken.'

En aan zijn dochter: `Ik zei je dat de mens een doel moest hebben in zijn leven en dat dat doel niet enkel het leven zelf was. Je moest door je leven een spoor achter laten als je verdwenen was, iets waar de andere mensen het beter door zouden krijgen. (...) Ik had je ver weg moeten sturen, bijtijds, omdat jij nog niet vrijwillig gekozen had en ik jouw jonge leven niet aan het onze had mogen binden. Ja, en nu is het te laat. Het was mijn egoïsme'.

Bij het lezen van deze onbekende passages is het slikken. De inhoud en stijl zijn even verbijsterend als de zelfkennis die eruit spreekt. Niet eens zozeer met het oog op het verleden dat De Groot al achter de rug had, alswel om wat er nog zou volgen. Want na de oorlog ging De Groot niet leven naar het mensbeeld dat uit deze brieven sprak. Integendeel, hij werd meedogenlozer.

Argwaan was een noodzakelijke eigenschap voor elke stalinistische leider. Overal loerde immers de vijand. Maar De Groot voegde er een andere trek aan toe: paranoia. Zijn achterdocht werd met het klimmen der jaren een waan die zich soms tot zijn naaste omgeving uitstrekte. Met terugwerkende kracht bovendien: het verzet was voor nagenoeg de hele partij het politieke raison d'être. Maar voor De Groot werd `40-45' dag én nacht de maat der dingen. Na de bevrijding stonden nagenoeg alle interne discussies in de CPN in het teken van de oorlog. En dat waren er heel veel. Zoals de strijd over de zogeheten `autonome' koers, die de CPN in 1963 insloeg omdat ze wegens haar band met de op China georiënteerde Indonesische `kameraden' niet durfde kiezen in het conflict tussen Sovjet-Unie en Volksrepubliek. Nadat Brezjnev in Moskou de macht had overnomen van Chroesjtsjov werden de maoïsten uitgeschakeld. Eerder waren er al `sanitaire maatregelen' genomen tegen de Moskovieten rond Friedl Baruch. Dat Baruch in de jaren dertig voor de nazi's was gevlucht, stemde hem niet milder. De angst voor het Duits `revanchisme' begon meer en meer op te spelen. Het woord `mof', ideologisch niet verantwoord in een wereldbeweging, lag De Groot in de mond bestorven. Zelfs de kwestie-Vietnam – reden voor menig student om naar de CPN te lonken – boeide hem lange tijd nauwelijks.

Agenten

Er waren zoveel interne oorlogjes dat het te ver voert ze allemaal te bespreken. Twee voorbeelden.

Toen De Groot in 1956 geen consequenties wilde trekken uit de antistalinistische rede van `kwebbelaar' Knoeisjef op het 20ste partijcongres van de CPSU, werden zijn tegenstanders niet gewoon uitgeschakeld. Ze werden karakterologisch geliquideerd. De opposanten – zoals Wagenaar (partijvoorzitter) en Gortzak (parlementariër), verzetshelden voor wie Moskou het centrum was en zou blijven – waren altijd al `agenten' geweest, zei hij. Nu kwam de aap uit de mouw. Het jonge talent Marcus Bakker zorgde voor de redactie van die opvattingen in een speciale brochure. De lijn was uitgezet door De Groot. Zelfs het feit dat hij tijdens de volksoploop tegen de Amsterdamse partijgebouwen, na de Sovjet-interventie in Hongarije in november 1956, veilig in Rusland verbleef, stemde hem niet tot bescheidenheid.

Twintig jaar later probeerde De Groot nog driester de CPN naar zijn hand te zetten. Het verlies bij de Tweede-Kamerverkiezingen van 1977 (van zeven naar twee zetels) was mede het gevolg van de terugkeer in de Russische moederschoot waartoe De Groot twee jaar eerder had besloten omdat het jonge kader steeds `kleinburgerlijker' werd. De nederlaag, die plaatsvond tegen de achtergrond van de Molukse kapingsacties in Drenthe, hét bewijs dat de partij in handen was van `scleroten'. Op het wetenschappelijk instituut van de CPN, waar het `erelid' zetelde, werkte hij aan een zuivering. `Gestaalde kaders' moesten de `misdadige agenten' opruimen. Zeker nu zijn leerlingen – voorzitter Hoekstra voorop – alle moed bijeengeraapt hadden en weigerden te `discussiëren'. Deze Musserts waren erger dan Seyss Inquart. Op het lijstje van medestanders voor de finale coup voegde hij achter tien namen het woord `kamp' toe. `Er viel nog veel te ontmaskeren', concludeert Stutje in navolging van eerdere auteurs pijnlijk scherp. `De oorlog! Daar moest het over gaan. Daar was het altijd over gegaan als hij zich bedreigd voelde'.

In 1977 slaagde De Groot er niet in iedereen te vlug af te zijn. Zelfs de trouwste kompanen haakten af. Elf jaar later stierf hij, ziek en geïsoleerd. Hij had nog net meegekregen dat de CPN zonder hem niets was en in 1986 uit het parlement werd weggestemd. Vijf jaar later stortte de Sovjet-Unie ineen. Dat slotakkoord hoefde hij niet mee te maken. Had hij het wel beleefd, zou De Groot dan zijn dolgedraaid of had hij er juist wat metaforen in de hoogste versnelling tegenaan gegooid? Wellicht het laatste. Zijn `heilsverwachting' was fanatiek geweest. Dat er in Moskou uiteindelijk ook wat toeval in het spel was (een putsch van gemankeerde leninisten in 1991) zou hij evenmin hebben begrepen. `Toeval was geen categorie', aldus Stutje. Zelfs de deportatie van Sally en Rosie had hij `politieke betekenis' gegeven om `iets van zijn waardigheid' te behouden.

Dieventaal

Het is een raak en helder einde van een ingewikkelde biografie. Jan Willem Stutje heeft namelijk een gecompliceerde verhouding tot zijn hoofdpersoon. De biograaf is gelouterd in de marxistische school, met name de trotskistische variant. Hij koestert geen sympathie voor de stalinist die achter elke boom `renegaten' ziet. Tegelijkertijd is Stutje gefascineerd door de leider die grofgebekt afrekende met alle intra-bolsjewistische oppositie.

Stutje keert in De man die de weg wees bijna elke steen van Felix Meritis en andere partijburelen om. Geen tactisch snufje of strategische wending ziet hij over het hoofd. Door zijn achtergrond is hij bovendien in staat alle zin en onzin in de communistische beweging serieus te nemen. Stutje benadert de partijcultuur met andere woorden niet als antropoloog maar als bioloog. De auteur kent het jargon, weet wat er met de dieventaal wordt bedoeld en heeft oog voor details. Zo is het fascinerend te lezen dat de nomenklatoera ook ordinaire materiële belangen najoeg. De wethouders die medio jaren zestig in Amsterdam weer mochten aantreden, moesten ook woon- of werkruimte regelen. Op microniveau bestond er een lokale Sovjet-Unie, met alle patronage en parafernalia vandien.

In deze kracht schuilt echter ook de zwakte van dit boek. Stutje bassert zich iets te veel op geschreven bronnen. Hij lijkt zelfs gefixeerd op tekst, een euvel waaraan veel evangelisten in de tempel van de beweging lijden. Zo leunt Stutje bij zijn beschrijving van de laatste jaren zwaar op De man die faalde, waarin Schreuders de waanzin helder op de divan legt. Maar hij heeft Schreuders niet gesproken, noch in diens archieven geneusd. Ook de psychiater André de Leeuw (een burgerjongen die De Groot heel lang loyaal is gebleven) heeft geen bijdrage geleverd aan de oral history. Dat is jammer. De Leeuw heeft vijftien jaar geleden een Freudiaanse analyse op zijn politieke leraar losgelaten. Velen volgden De Groot blind omdat hij `iets mythisch, oud-testamentisch en profetisch' had. Net als Lenin in de Oktoberrevolutie (`het werk van een stelletje klunzen en één genie') was De Groot de spil in het `narcistische getto' dat de communisten hadden geschapen, aldus De Leeuw.

Stutje ráákt wel aan dergelijke verklaringen. Met name als hij de paradox beschrijft van het joodse bewustzijn van De Groot, die voor de oorlog van geen antisemitisme in Nederland wilde weten, maar daar op zijn oude dag steeds gevoeliger voor werd. Het zijn de mooiste delen van het boek. Elders is Stutje dan weer bang zijn vingers te branden aan te veel psychologie.

Hetzelfde geldt voor de omgeving waarin Paul de Groot heeft geopereerd. Ook daar houdt Stutje te vaak op waar het interessant begint te worden. De jaren vijftig, toen Nederland even een industriële natie werd en de CPN zich eindelijk van een werklozen- tot een werkerspartij kon omvormen, blijven het tijdperk van de Koude Oorlog. Amper ziet hij ze als wat ze óók waren: de bakermat voor een culturele metamorfose die de communisten later in de jaren zeventig de das zou omdoen. Het gevolg is mede dat PvdA en PSP slechts terloops hun neus om de hoek steken. Dat is een lacune, alleen al omdat deze concurrenten van de CPN toevluchtsoorden werden voor uitgerangeerde communisten – en de PSP in de warme belangstelling van de DDR kwam te staan.

De man die de weg wees is intrigerend. De moderne lezer, voor wie de goed-of-foutvraag ver weg is, voelt dat bij de beantwoording psychiatrische begrippen onontbeerlijk zijn, maar wordt te vaak alleen gelaten. Want de spanning tussen waan en werkelijkheid tintelt in dit boek wel, ze vonkt niet.

Jan Willem Stutje: De man die de weg wees. Leven en werk van Paul de Groot. 1899-1986.

De Bezige Bij, 620 blz. ƒ59,50

    • Hubert Smeets