Vechtjas in de mode

Talloze kledingstukken zijn ontleend aan militaire tenues. Van de bivakmuts en het T-shirt tot de Burberry-jas. De expositie Dressed to kill in het Legermuseum in Delft laat zien waar al die camouflageprints en flightjacks uit het straatbeeld vandaan komen.

Op straat vallen ze opeens op: zakenvrouwen in trenchcoats, meiden in leren flightjacks, studenten in montycoats, krakers met bivakmuts. Op het strand zullen ze ook opvallen, trendy tieners in bikini met camouflage print. En in de disco kijk je er niet meer van op: echte of imitatie legerbroeken. Allen dragen, soms bedoeld, maar vaak ook zonder het te weten, het modieuze erfgoed van oude vechtjassen.

De tentoonstelling `Dressed to Kill' in het Legermuseum van Delft laat zien hoe soldaten, officieren, matrozen en piloten door de eeuwen heen het beeld van de straatmode hebben bepaald. Een vijftigtal paspoppen is deels gekleed in eigentijdse burgerkleding, anderdeels in militair tenue. Vaak moeten de vitrineteksten geconsulteerd worden om te begrijpen waaróm die jurk of dat jasje daar hangt, zo `burgerlijk' zien ze er uit.

Allerminst burgerlijk is de eerste pop die de bezoeker begroet: Jimi Hendrix. Hij is gekleed in een zogeheten `dolman', het ceremonieel officierstenue van het korps rijdende artillerie. Dit Hongaarse jak is waarschijnlijk van oorsprong Turks. Het is een kort, rood overkleed dat uitbundig is versierd met goudkleurige `brandenbourgs'.

Brandenbourgs, zo leert het bij deze tentoonstelling uitgegeven boek, zijn `knopen en knoopsgaten' vernoemd naar Frederik Willem van Brandenburg, en `kleurig omrand met decoratief band dat doorloopt in lusvormig tressenwerk'. We proberen ons vergeefs voor te stellen hoe soldaten met deze bespottelijke versiering ooit succesvol in de Elzas hebben gevochten. Zou hun vijand, in 1675, niet de slappe lach hebben gekregen?

Het zal Jimi ongetwijfeld een zorg zijn geweest waar zijn jasje vandaan kwam en hoe zijn knoopsgaten heetten. Hij hoort in Dressed to Kill ook eigenlijk niet thuis. De dolman is nooit in de burgermode geraakt, brandenbourgs wel. Gestyleerd op pyama`s, `rookjasjes' voor dandy's in de negentiende eeuw en op recente jurken van societydames.

Het zal dragers van sommige truien, jassen en mutsen ontgaan, maar zij kleden zich in relicten van de Krimoorlog (1854-1856). Dat treffen tussen Russen, Turken, Fransen en Britten verrijkte de wereld met de raglanmouw, de balaclava en het cardiganvest. Lord Cardigan zou met zijn sabel in de hitte van het gevecht zijn trui van voren hebben opengesneden. Later werd de trui `gerepareerd' met knopen en knoopsgaten en was het vest geboren. Ook de mouw, die loopt vanaf de halslijn tot aan de pols en schuin vanaf de hals tot onder de oksel is gestikt, zou tijdens de Krimoorlog zijn ontstaan en vernoemd naar Lord Raglan. De balaclava, genoemd naar het gelijknamige plaatsje op de Krim, kennen wij als bivakmuts.

De opkomst van vérdragende vuurwapens betekende voor de individuele soldaat dat hij, wilde hij zijn levenskansen enigermate behouden, op het slagveld onzichtbaar moest worden. Uniformen en gevechtspakken kregen kleuren die maakten dat militairen moeilijk waren te onderscheiden van hun omgeving: zandkleurig kaki in de woestijn, legergroen voor in het bos, Feldgrau voor in de modder. Hadden die jassen de bedoeling de drager `onopgemerkt aanwezig' te laten zijn, de mode heeft daaraan geen boodschap. De Eerste Wereldoorlog gaf ons de Trenchcoat. Met één van die trenchcoats kan de drager tegenwoordig over grote afstand zijn welstand aangeven. Thomas Burberry maakte waterafstotende gabardine jassen voor officieren om in de loopgraven te dragen. Zijn luxueuze jassen, met een groot rugstuk, epauletten en een dicht te knopen stormflap, zijn nog steeds een succes in de burgerwereld.

Ook een groot succes werd de jas die door Montgomery in de Tweede Wereldoorlog werd gedragen. Zijn dufflecoat met de houtje-touwtjesluiting, grote zakken en capuchon, werd al vanaf eind negentiende eeuw gedragen door de Britse marine en werd in de twintigste eeuw populair als Montycoat.

Om onzichtbaar te worden, pasten de Duitsers tijdens de Tweede Wereldoorlog het uit de dierenwereld bekende vlekkenpatronen toe. Op grote schaal werden camouflage-prints, op kleding en materieel aangebracht. Nu heeft elk leger zijn eigen camouflagepatroon. Desertstorm was nog niet gaan liggen na de Golfoorlog of modebewuste jongeren liepen al in de geel-zwart gevlekte woestijn camobroeken à la Schwarzkopf. Niet langer om onzichtbaar te worden, maar juist om op te vallen, passen ontwerpers nu de camoprint toe op zwempakken, t-shirts of broeken. Het tijgerende meisje dat de poster van Dressed to kill siert, is gestoken in zogeheten `fun-camo', een camouflage-print zo opvallend, dat de drager niet over het hoofd kan worden gezien.

Niet alles wat het leger de mode aanreikt, is mooi. De vuurrode dames montycoat op de tentoonstelling is ronduit om op te schieten. Maar dat is een smaakvoorkeur, en niet een dienstbevel!

Dressed to kill, tentoonstelling over het uniform in de mode. T/m 7 jan 2001. Legermuseum, Korte Geer 1, Delft. Open ma t/m vr 10-17u, za/zo 12-17u. Volw ƒ6 kind 4 t/m 12 ƒ3. Inl 015-2150500. Boek `Dressed to kill' van Mariska Pool ƒ45