STAATSSCHULD

België heeft jarenlang zijn staatsfinanciën op hun beloop gelaten. Voortdurende twisten tussen Walen en Vlamingen zorgden voor een groot tekort. Een investering in Vlaanderen moest leiden tot een even grote uitgave in Wallonnië – en omgekeerd. Dat leidde tot een staatsschuld die in 1993 137 procent van het bbp bedroeg. En dat terwijl voor de toetreding tot de Economische en Monetaire Unie een eis van 60 procent gesteld zou worden, en een jaarlijks tekort van niet meer dan 3 procent van het bbp.

Deze eisen hebben gezorgd voor een noodzakelijke mentaliteitsverandering. In 1995 waarschuwde de topman van de centrale bank dat de regering een strakke budgetdiscipline moest handhaven, omdat anders België niet tot de kopgroep van eurolanden zou behoren. Dat zou een blamage zijn voor een land dat tot de zes oprichters van de Europese Gemeenschap behoort en bovendien al een monetaire unie met Luxemburg heeft, die verbroken zou worden in het geval dat Luxemburg wèl aan de euro zou meedoen. Maar door een stringent begrotingsbeleid en geholpen door economische voorspoed is de schuld inmiddels teruggedrongen tot 115,8 procent van het bbp – weliswaar geen 60 procent, maar de trend naar beneden is voldoende. Het tekort bedraagt 0,9 procent.