Meer high touch dan hightech

Vlaamse kleine zelfstandigen winnen het van een rijke Waalse elite. Ze bouwen voort op oude tradities.

HET VERVALLEN kazerneterrein in Mechelen kan symbool staan voor de `vernieuwing' van de Vlaamse economie. Militaire barakken hebben plaatsgemaakt voor een constructie van glas en beton, waar het modernste kabelbedrijf van Europa is gehuisvest. Telenet biedt niet alleen televisie, maar ook Internet- en telecomdiensten aan. Ruim 850 kilometer glasvezelkabel vormt de ruggengraat van een netwerk, waarmee bijna alle Vlamingen de nieuwe communicatietechnologie binnen handbereik hebben.

Vlaanderen is de dichtst bekabelde regio ter wereld. Zo'n 95 procent van de bijna 2,5 miljoen huisgezinnen is aangesloten op het netwerk van 52.000 kilometer coax-kabel, dat snelle breedbandtoepassingen mogelijk maakt. Geen wonder dat de Amerikaans-Nederlandse branchegenoot UPC al enige tijd op Telenet aast en meer dan tien miljard gulden voor het bedrijf over zou hebben. Had Telenet in 1996 slechts 40 werknemers, inmiddels zijn het er al bijna duizend.

De Vlaamse overheid heeft een opvallende rol gespeeld bij het ontstaan van Telenet, dat zich ontwikkelt tot een multimediabedrijf. Enig Vlaams nationalisme was daaraan zeker niet vreemd. Na een bezoek van de Vlaamse minister-president Luc van den Brande in 1994 aan het toen nog `simpele' kabelbedrijf, kreeg de gewestelijke investeringsmaatschappij GIMV van hem toestemming om risicokapitaal in Telenet te steken. De GIMV heeft intussen ook andere hightech-bedrijven van de grond getild. Het spraaktechnologiebedrijf Lernout & Hauspie, dat een notering heeft aan de New-Yorkse Nasdaq, is de bekendste. Het bedrijf uit het West-Vlaamse Ieper is intussen wereldmarktleider. Vlaanderen heeft nog enkele toonaangevende hightech-bedrijven, vooral op het gebied van software voor e-commerce. Zo staan Schelfhout Computer Systems uit Stekene en 4Business Software uit Sint-Katelijne-Waver aan de Europese top van elektronische veilingsystemen voor bederfelijke waren.

Wallonië draagt nog altijd het stempel – langzamerhand een cliché – van de teloorgang van de oude kolen- en staalsector. Overheid en bedrijfsleven doen serieuze pogingen de Waalse economie te vernieuwen. Zo is rond de universiteit van Louvain la Neuve een veelbelovende spin-off van hightech-bedrijven ontstaan. Maar Wallonië moet van ver komen. En de achterstand op Vlaanderen, waar het inkomen per hoofd groter is dan in Nederland, groeit nog steeds.

Per saldo blijft de hightech-sector in België achter bij die in Nederland. Volgens cijfers van de Generale Bank is de marktkapitalisatie van Belgische hightech-bedrijven slechts 4 procent van de totale beurswaarde van Belgische bedrijven. In Nederland is dat bijna 10 procent. Het verschil laat zich deels verklaren door het slechte functioneren van de Brusselse beurs. Invloedrijke (familie)holdings en gebrekkige corporate governance hebben de Belgische financiële markten er niet transparanter op gemaakt. Sommige Belgische hightech-bedrijven zijn uitgeweken naar Nasdaq en Easdaq uit vrees hun werkelijke waarde op de Brusselse beurs niet te kunnen realiseren. De onlangs aangekondigde fusie van de beurzen van Amsterdam, Brussel en Parijs is dan ook enthousiast begroet.

Daarnaast is sprake van achterblijvende `digitalisering' van de Belgische samenleving. Volgens cijfers van de Europese Commissie had vorig jaar 12 procent van de Belgische huishoudens toegang tot Internet. Dat is gelijk aan het gemiddelde in de Europese Unie, maar nauwelijks de helft van de Internet-penetratie in Nederland. De hogere toegangskosten in België – ongeveer de helft meer dan in Nederland – vormen een verklaring.

En de hoge toegangskosten hebben weer te maken met de dominantie van het nationale telecombedrijf Belgacom, dat nog volledig staatseigendom is. Vorige Belgische regeringen hebben van marktliberalisering en privatisering nooit een prioriteit gemaakt. De sterke politieke invloed van de christelijke en de socialistische vakbewegingen, die nog altijd hun vertegenwoordigers hebben op kieslijsten en in besturen van de verwante politieke partijen, verhinderde een dynamischer beleid. Met de ontzuiling en de nieuwe paars-groene coalitie, waarin liberalen en groenen een meerderheidspositie hebben, lijkt de vakbondsinvloed afgenomen.

De hightech mag dan nog wat achterblijven, volgens de Gentse hoogleraar Georges Allaert hebben vooral Vlaamse bedrijven wel een `high touch': een hoge toegevoegde waarde. Zo bedraagt het bruto binnenlands product van België ongeveer 9.000 miljard frank, waarvan 6.000 miljard frank voor rekening van bedrijven komt en de rest voor rekening van de overheid. Maar Vlaamse bedrijven genereren niet minder dan 4.000 miljard frank van de toegevoegde waarde. De toegevoegde waarde van Waalse bedrijven blijft met 1.000 miljard frank ver achter. Brusselse bedrijven produceren zelfs precies zoveel toegevoegde waarde als alle bedrijven in Wallonië bij elkaar.

Het zakenblad Trends publiceerde onlangs een onderzoek van het bureau Dun & Bradstreet over Belgische toplocaties, waarbij werd gekeken naar winstgroei, groei, kredietwaardigheid en betalingsgedrag van de daar gevestigde bedrijven. Van de 100 toplocaties waren er 91 Vlaams. Vooral West-Vlaanderen doet het bijzonder goed met plaatsen als Izegem (koploper), Kuurne, Roeselare, Wevelgem, Harelbeke, Veurne en Tielt.

,,Vlaanderen heeft een sterke traditie van familiebedrijven'', onderstreept Allaert. De westelijke regio – met ook hightech-bedrijf Lernout & Hauspie in Ieper – wordt wel als het `Texas van Vlaanderen' aangeduid. Volgens hoogleraar Allaert is voortgebouwd op sectoren die de streek traditioneel welvaart brachten, van vlasteelt en chemie tot textiel. ,,Nu zie je er bijvoorbeeld alle soorten van synthetische textielproducten.''

De Gentse hoogleraar spreekt ook van positieve `grenseffecten'. Dat wil zeggen dat sinds het wegvallen van de Europese binnengrenzen de economische activiteiten in grensgebieden elkaar meer dan ooit versterken. De West-Vlaamse regio en de Franse streek rond Lille zijn daarvan een goed voorbeeld. En zo profiteert Belgisch Limburg ook van de economische bloei in Noord-Brabant. In Wallonië is rond Luik een dergelijk grenseffect merkbaar en verder ook in Duitstalig Oost-België.

Allaert verwacht dat Wallonië op den duur van de Vlaamse opbloei zal profiteren ,,omdat in Vlaanderen ruimtegebrek gaat ontstaan''. Hij wijt de Waalse achterstand voor een belangrijk deel aan de ouderwetse kapitalistische tradities. Een zeer kapitaalkrachtige Franstalige elite investeerde bijna uitsluitend in de kolen- en staalsector. Van een netwerk van kleine ondernemers, zoals in Vlaanderen, was in Wallonië geen sprake.

De Leuvense hoogleraar Wim Moesen gaat nog een stap verder. Hij publiceerde onlangs met twee co-auteurs een studie over `maatschappelijk kapitaal' en economische groei in bijna dertig Europese regio's. Het gaat hierbij om het `vertrouwen' dat burgers in instituties hebben. Nederland is na Finland en Denemarken derde, Vlaanderen zit in de middenmoot, en Wallonië bungelt vrijwel onderaan. Maatschappelijke polarisatie en politiek cliëntelisme – dit laatste was ook in Vlaanderen geen onbekend verschijnsel – eisen in Wallonië nog steeds hun tol. Pas nu is in de politieke cultuur een verandering waarneembaar.

Terwijl in België de werkloosheid met 9 procent nog hoog is, komt dit jaar de economische groei (volgens sommige voorspellingen) van bijna 4 procent boven het Europees gemiddelde uit. De Belgische overheid – in de pers al vergeleken met een `goudhamster' – ziet overheidstekort en staatsschuld dan ook snel dalen. Maar deze rijkdom is nu nog vooral gebaseerd op `booming' Vlaanderen.