Kritiek bevestigt noodzaak manifest

De bedoeling van het manifest Naar een universitair reveil is om opnieuw de aandacht te vestigen op de weinig florissante situatie waarin het Nederlandse universitaire onderwijs en onderzoek de laatste decennia steeds meer terechtgekomen is. En om daarmee een discussie op gang te brengen over wat van een academische opleiding tenminste verwacht mag worden en wat het type onderzoek is waarop de universiteit zich primair zou moeten richten. Wat die discussie betreft zijn we op onze wenken bediend door de Leidse rector Wagenaar (NRC Handelsblad, 31 maart). Alleen wordt de discussie door zijn interventie een kant uitgestuurd waarin we door de onvruchtbaarheid ervan niet verder moeten gaan. Dat is de reden dat ik als één van de opstellers van het manifest reageer.

De opmerkingen van Wagenaar betreffen namelijk vooral nevenzaken: de ondertekenaars zijn, althans voor een deel, gepensioneerden die te ver van de huidige praktijk af zijn komen te staan om nog te weten wat er speelt, het stuk is anoniem, enz. Op de zaak zelf wordt anders dan indirect niet ingegaan, de beste methode om een gedachtewisseling bij voorbaat te ontregelen.

Feit is dat de meeste ondertekenaars zijn hoogleraren die nog volop in de running zijn, een aantal ervan is decaan of oud-decaan van een faculteit en kent dus uit eigen pijnlijke ervaring de bestuurlijke praktijk. Het dichtst komt Wagenaar nog bij de inhoud van het manifest als hijzelf over de nijpende situatie van de universiteiten spreekt: gevecht op leven en dood, onze Nederlandse financieringsnorm zit op de helft van de Europese norm (Nederland wil blijkbaar weer voor een dubbeltje op de eerste rang zitten), keiharde onderlinge concurrentie van de universiteiten, onvergelijkbaarheid van het Nederlandse met het Amerikaanse systeem omdat de studie daar vier plus vier jaar duurt en hier vier plus nul jaar. Wie verbaast er zich dan nog over de verschoolsing en massificatie van het onderwijs, over de onmogelijkheid van verbreding van de blik, over het feit dat docenten geen tijd hebben voor werkgroepen waar discussie en verwerking van de stof plaatsvindt, over het feit dat het aantal wetenschappers dat fundamenteel onderzoek verricht de laatste vijf jaar met bijna tien procent afgenomen is, zoals de VSNU verleden week meldde, enz.enz.? Precies in verband met dit alles wil het manifest de gedachten weer bepalen bij de basale vraag, waar het bij academisch onderwijs en onderzoek eigenlijk om begonnen is. De als kritiek bedoelde opmerkingen van Wagenaar bevestigen daarom indirect de dringende noodzaak van zo'n proces van bezinning. En het manifest kan net zo min als een dolkstoot in de rug van de universiteiten beschouwd worden als kritiek op het feitelijk functioneren van de democratie als verraad aan de democratie aan te merken is.

De bedoeling van het manifest is juist om het voortschrijdend proces van aftakeling van de universiteiten te keren. Dat is te meer noodzakelijk nu met de verzilvering van de Bologna-verklaring een majeure ingreep in de universitaire structuur voor de deur staat, die er echter niet in mag bestaan om het bestaande systeem in feite intact te laten en er alleen een ander manteltje om heen te hangen.

Prof.dr. G.A. van der Wal is hoogleraar wijsbegeerte aan de Erasmus Universiteit Rotterdam

    • Koo van der Wal