Jong, slank en droevig

Portugal heeft er, in de persoon van fadozangeres Cristina Branco, een nieuwe ster bij. Nederlandse vrienden maakten haar attent op het werk van Slauerhoff, waaraan de fado (afgeleid van fatum, noodlot) niet ongemerkt voorbij is gegaan. Zo kan het gebeuren dat morgen in het Haagse Letterkundig Museum een cd wordt gepresenteerd met de titel `Cristina Branco canta Slauerhoff'. Op de uitnodiging staat een foto van de zangeres, die op een Leeuwardens bruggetje de Verzamelde Gedichten van de Friese zeeman tegen haar boezem geklemd houdt.

In Leeuwarden ook begint zij aanstaande maandag aan een reeks concerten. Leeuwarden vormde tenslotte het decor van Slauerhoffs jeugd. Al in november vorig jaar gaf zij in het Stadhouderlijk Hof een gastconcert. Haar binnenkomst in de statige zaal was grandioos: een slanke jonge vrouw, gekleed in een zwarte jurk, het haar strak in een knoet bijeengebonden, stelde zich voor haar drie gitaristen op en wrong een melodieuze jammerklacht uit haar keel. Ja, het leven is een barre reis, onzeker van geboorte tot eind, en achter elk kort moment van vreugde loert het noodlot dat je spoedig in rouw zal dompelen.

Slauerhoff had iets met de `vervallen beschaving' die hij in Portugal aantrof. Zowel in zijn gedichten als in zijn proza treft men daar de sporen van aan. Uiteraard zingt Cristina Branco een aantal gedichten dat rechtstreeks op de fado geïnspireerd is. Maar ook andere weemoedige verzen, uit andere bundels, zijn in het Portugees vertaald en tot liedteksten omgevormd.

Slauerhoff was drieëntwintig toen hij voor het eerst voet op Portugese bodem zette. In de zomer van 1922 maakte hij een kustreisje naar Bordeaux en Porto. ,,Deze reis werd beslissend voor zijn toekomst'', stelt Hazeu in zijn Slauerhoff-biografie. In Porto bezocht hij de kroegjes aan de Douro, ,,waar hij 's avonds luisterde naar de fadozangeressen, die mysterieuze vrouwen in het zwart, met hun zwarte shawls, hun hoge zwarte schoenen en hun volle rode lippen. Zij zongen op een onnavolgbare, melancholieke wijze melodieën in een voor hem onbekende taal en werden begeleid door Portugese gitaren. De fado dringt binnen in Slauerhoff en diens poëzie.''

In 1928 was hij weer terug in Portugal. Op de Gelria, van de Koninklijke Hollandsche Lloyd, voer hij in dat jaar diverse malen naar Zuid-Amerika. In Portugal ging het schip voor anker op de Taag. In zijn dagboek staan de eerste regels van een nieuw gedicht:

Een oogenblik verzoend met lang leeg zwerven

En dor verlaten zijn,

Te gaan door 't leven in al oude straten

En zitten op een zonnig zuidlijk plein.

In zijn tijd was Slauerhoff een van de weinige Nederlandse schrijvers die zich door de Portugese cultuur lieten inspireren. Zijn interesse ging vooral uit naar Luis de Camões, de zestiende-eeuwse dichter van het nationale epos `De Lusiaden'. Hierin worden de reizen van Vasco da Gama en andere Portugese ontdekkingsreizigers bezongen. De figuur van Camões duikt herhaaldelijk in Slauerhoffs werk op. In `Het verboden rijk' zegt Camões over Portugal: ,,Het land is zwaarmoedig en eentonig. Het bloeit en zwiert er niet zoals in Italië of Frankrijk, mijn land is in alles, behalve in de zeevaart, de mindere.''

Slauerhoff, die Portugees kon lezen, had echter ook belangstelling voor andere Portugese auteurs. Zoals voor de zwaarmoedige dichter António Nobre. Die stelde dat de zoutheid van de zee het niet haalde bij de ziltheid van zijn tranenplas. Hij noemde de doodgraver de beste van alle bouwmeesters.

Omspeeld door melodieuze gitaarklanken, zong Cristina de Portugese versie van de bekende regels `Ben ik traag omdat ik droef ben / Of ben ik droef omdat ik traag ben.' Haar gezicht was van smart vertrokken, haar donkere ogen keken gekweld over de hoofden van het publiek heen.

Als er een dichtershemel is, dan moet Slauerhoff het met een glimlach hebben aangehoord.