Het Baudelaire-syndroom

`Dramatisch laag' noemt Arjan Peters in het redactioneel van De nieuwe Optima de verschijningsfrequentie van dit literaire tijdschrift in de afgelopen twee jaar. Er zijn inmiddels, in plaats van onder meer Michaël Zeeman, nieuwe redacteuren aangetreden (zoals Onno Blom die, nu hij aan het roer staat van de uitgeverij van Optima, zijn redacteurschap vast weer moet opgeven).

Het laatstverschenen nummer, gedateerd december 1999, maar pas later uitgebracht, was het wachten waard. Het is levendig, afwisselend, zowel wat vorm als inhoud betreft. Naast een meeslepend hoofdstuk uit de nog te verwachten nieuwe roman van Herman Stevens staan bijdragen van een geestige IJslandse poëet; kwatrijnen van Hugo Pos gaan in deze Optima samen met een lang interview met Jean Pierre Rawie.

Het interview is een bewerking van een gesprek dat Peters met Rawie voerde voor de radio. Ook in geschreven vorm hoor je de dichter haast praten, plechtstatig en zelfingenomen, maar zeker vermakelijk. Rawie noemt poëzie simpelweg een middel om ,,moeilijkheden waar iedereen mee zit'' te bezweren. Hij erkent het gevaar van clichés, maar vindt ,,in dezen'' geen enkel woord taboe. ,,Ik heb weleens gelezen: het woord `sneeuw' mag niet meer in de Nederlandse poëzie. Dat was in die tijd dat er allemaal van die rare gedichten werden geschreven in de trant van: `Sneeuw./Het sterft zich/Hier.' Maar je kunt geen enkel woord verantwoordelijk stellen voor het feit dat er beroerde poëzie wordt gemaakt.''

De Nacht van de Poëzie noemt Rawie een `straf van de hel' en Poetry International nog veel meer dan dat. Tegelijkertijd treedt hij graag op tijdens de Nacht, en noemt hij Poetry toch ook weer ,,een prachtig festival''. Zo is hij ook tegen de VSB-poëzieprijs, maar weigeren zou hij hem niet. Peters toont de draaikonterij, en vraagt ook door naar de al dan niet mogelijke combinatie van roem en genialiteit. Dat brengt Rawie tot mooie uitspraken over `het Baudelaire-syndroom': ,,Veel mensen denken: ik heb een rotkarakter, ik heb geen vrienden, mijn gedichten wil ook niemand hebben, dus ik ben een groot genie.''

In De nieuwe Optima staan twee ergerlijke bijdragen (van de dertien). Geerten Meijsing vult de rubriek `Grof vuil', in 1998 ingesteld met het doel te zorgen ,,voor de nodige onverkwikkelijkheden in de vaderlandse literaire wereld'', met een boutade tegen house. Dat is rijkelijk laat. Behalve bejaard klinken zijn argumenten voorspelbaar. Maar het grootste bezwaar zijn Meijsings houterige, veel te lange zinnen vol tangconstructies.

Een nieuwe rubriek is `De volmaakte fout'. Niet bedoeld om schrijvers uit te lachen die in hun werk een steekje lieten vallen, maar om te laten zien hoe juist een `unieke blunder' een boek af kan maken. De eerste aflevering bestaat uit een potsierlijke bijdrage van Désanne van Brederode. Zij laat zich erop voorstaan de Libelle te lezen, zonder hem voor bezoek te verstoppen. Dan moet ze kwijt hoe heerlijk belezen haar man (Arjan Peters) wel niet is: met Hermans' Uit talloos veel miljoenen schonk hij haar ,,een warme juli-week lang'' het ultieme Libelle-genot.

De onthulling van Hermans' ,,enorme fout'' laat intussen op zich wachten. Waarschijnlijk tracht Van Brederode grappig te zijn. ,,Pijnlijk. Uitermate pijnlijk'', noemt ze de vergissing. Want Hermans schreef dat Beertje Paddington zijn hoed meestal in zijn poot houdt. Van Brederode weet echter van haar boxkleed, de koffiemok van haar man en plaatjes in ECI Magazine, dat de beer juist wel altijd zijn hoed draagt. Wat een hopeloos geneuzel is dit, niet om te lachen en aanvechtbaar bovendien.

De nieuwe Optima, literair tijdschrift. 17de jaargang, nr.5, Uitg. Prometheus. ƒ 17,50.