Heffen van huizen

Mensen met een eigen huis hebben hun bezit de afgelopen jaren in het algemeen gesproken sterk in waarde zien stijgen. De fiscus is de glimlachende derde. De waarde van huizen vormt namelijk de grondslag bij de heffing van een hele reeks belastingen. Bij de bepaling van hun belastbaar inkomen dienen mensen met een eigen huis een bedrag als `huurwaarde' bij hun inkomen te tellen. Dit woongenot is belast, omdat iemand ook kan besluiten zijn huis te verhuren en over huuropbrengsten eveneens inkomstenbelasting is verschuldigd. Doordat de hypotheekrente vrijwel ongelimiteerd aftrekbaar is, vormt de eigen woning trouwens voor vier van de vijf huizenbezitters per saldo een aftrekpost die leidt tot aanzienlijke belastingbesparing. Deze fiscale prikkel verklaart in belangrijke mate dat inmiddels meer dan de helft van de huishoudens een eigen woning bezit.

Verder is over de nettowaarde van het huis (verkoopwaarde minus hypotheekschuld) jaarlijks in beginsel 0,7 procent vermogensbelasting verschuldigd. Bij de verkoop van bestaande huizen moet eenmalig 6 procent overdrachtsbelasting worden betaald. Na het overlijden van de eigenaar zijn de erfgenamen in beginsel – afgezien van vrijstellingen – ook successierecht verschuldigd.

Behalve de rijksoverheid knopen ook lagere overheden bij het huizenbezit aan om hun koffers te vullen. De ruim vijfhonderd gemeenten slaan eigenaren aan voor twee onroerendezaakbelastingen (OZB), eenmaal als `gebruiker' en eenmaal als `eigenaar'. Tussen haakjes, huurders worden uitsluitend als gebruiker in de OZB betrokken. Daarnaast krijgen de waterschappen een belangrijk deel van de benodigde middelen binnen via een jaarlijkse `omslag' waarbij de waarde van onroerende zaken de heffingsgrondslag vormt.

Sinds 1995 is de waardebepaling door gemeenten geregeld in de Wet waardebepaling onroerende zaken (WOZ). Vanaf 1997 geldt deze WOZ-waarde niet alleen voor de heffing van de gemeentelijke onroerendezaakbelastingen, maar ook als heffingsmaatstaf voor de omslag gebouwd van de waterschappen, bij de waardebepaling voor de vermogensbelasting en ter bepaling van de bij te tellen huurwaarde in de inkomstenbelasting. De WOZ-waarde is gelijk aan wat iemand op de markt voor zijn huis kan krijgen. Omdat de kosten hoog zouden oplopen indien gemeenten elk jaar opnieuw de waarde dienen te bepalen van alle binnen de gemeentegrenzen gelegen onroerende zaken, geldt de eenmaal vastgestelde waarde gedurende vier achtereenvolgende jaren. Op dit moment zijn alle gemeenten bezig de waarde per 1 januari 1999 vast te stellen of ze hebben dat karwei net achter de rug. Vanaf het jaar 2001 vormt die WOZ-waarde per 1 januari 1999 vier jaar lang de heffinggrondslag.

Zoals dat in Nederland gaat, is dit systeem onlangs geëvalueerd. Vroeger bepaalden het Rijk, de gemeenten en de waterschappen ieder zélf de waarde van huizen. Het grote voordeel van het WOZ-systeem is dat burgers sinds het werd ingevoerd voor een aantal huizenheffingen met dezelfde grondslag te maken hebben (maar niet voor het successierecht en bij het staken van de onderneming). De Waarderingskamer – de instantie die toezicht houdt op de uitvoering van de WOZ – wijst als nadeel op de hoge uitvoeringskosten die ontstaan doordat elke gebruiker (huurder) afzonderlijk in de OZB wordt betrokken. Dit knelpunt valt eenvoudig te verhelpen door in de toekomst alleen eigenaren te laten betalen. Verhuurders zullen er in het algemeen in slagen de belasting voor een deel door te berekenen aan hun huurders, waardoor er uiteindelijk weinig verandert. De zodoende te bereiken kostenbesparing is zeer gewenst.

Het kabinet noemt als nadeel van de WOZ de sterk gestegen kosten, die vorig jaar tot boven de 200 miljoen gulden waren opgelopen. Dat is bijna drie procent van de totale heffingsopbrengst: 4.425 miljoen voor het Rijk, 3.750 miljoen voor de gemeenten en 425 miljoen voor de waterschappen. De al in 1991 tussen deze overheden voor onbepaalde tijd afgesproken sleutel om de taxatiekosten van onroerende zaken te verdelen over de drie belanghebbende overheden oogt wat merkwaardig: 40:30:30. Het is duidelijk dat de vertegenwoordiger van de waterschappen tien jaar geleden bij het bestuurlijk overleg heeft zitten dutten. De waterbeheerders vangen immers maar vijf procent van de totale opbrengst en draaien voor dertig procent van de kosten op.

Het Rijk en de gemeenten lijken bereid te zijn de verdeelsleutel wat aan te passen. Maar de waterschappen zijn al een brug verder. Kortgeleden publiceerden zij een rapport over Waterschapsbelastingen in de 21ste eeuw.

Daarin wordt voorgesteld in plaats van de waarde de oppervlakte van onroerende zaken als heffingsmaatstaf te gaan gebruiken. Door niet langer uit te gaan van de waarde zouden de waterschappen verlost zijn van hun aandeel in de taxatiekosten van onroerende zaken. Die taxatiekosten worden hierdoor niet lager, alleen zouden zij voortaan uitsluitend voor rekening van het Rijk en de gemeenten komen. De winst van deze operatie voor de burgers is nul komma nul.

Ook de redenering van de waterschappen deugt niet. De kosten van het waterbeheer hangen met het beschermde oppervlak samen. Daarom zou oppervlakte de heffingsmaatstaf moeten zijn. Maar bescherming tegen het water is een collectief goed waarvan niemand kan worden uitgesloten. Belasten naar belang (de waarde) ligt dan veel meer voor de hand. Invoering van een nieuwe oppervlakteheffing maakt het stelsel van heffingen nog ingewikkelder. Bovendien kan de totale lastendruk als gevolg van het voorstel van de waterschappen gemakkelijk oplopen, omdat burgers eenvoudiger te `pakken' zijn via heffingen met lagere tarieven op verschillende grondslagen (oppervlakte en waarde) dan via een meervoudige heffing op één grondslag (waarde). Het rapport over de toekomst van de waterschapsbelastingen moet daarom zo snel mogelijk onderin de la.