Europa is niet te ambitieus

De EU-top in Lissabon heeft de kenniseconomie op de agenda gezet. Maar er is meer nodig, vindt Jet Bussemaker.

De Europese top die twee weken geleden in Lissabon plaatsvond is succesvol geweest in het agenderen van nieuwe thema's, in het bijzonder met betrekking tot de kenniseconomie. Zo moeten voor eind 2001 de telecommunicatiemarkten volledig geïntegreerd zijn en moeten alle scholen eind 2001 toegang hebben tot Internet en multimedia. In het verlengde daarvan dienen docenten bijscholing te krijgen en moet er een Trans-Europees netwerk voor elektronische wetenschappelijke communicatie komen. Investeren in de kenniseconomie is noodzakelijk om te kunnen concurreren met de VS. Zoals eerder in deze krant betoogd door premier Kok en minister Jorritsma heeft Europa hierin een achterstand die ingehaald dient te worden. Maar een economisch sterk Europa heeft alleen kans van slagen als er ook wordt geïnvesteerd in menselijke hulpbronnen. Daarbij hoort een actief werkgelegenheidsbeleid. Op de Europese top is afgesproken dat de werkgelegenheid in Europa omhoog moet van 61 procent nu tot 70 procent in 2010 van het aantal mensen dat deelneemt aan de arbeidsmarkt. Volgens Hans Labohm, in deze krant van 27 maart, is die afspraak gebaseerd op `wishful thinking'. Daarmee gaat hij voorbij aan wat al is bereikt via Europese afspraken en wat in de toekomst nog nodig zal zijn. Volgens Labohm gaan de gemaakte afspraken te ver. Volgens mij gaan ze niet ver genoeg.

Toen de lidstaten in 1997 afspraken maakten over een gecoördineerde werkgelegenheidsstrategie, dachten velen dat dit tot niets meer dan dikke pakken papier zou leiden. Maar de resultaten zijn nu al opvallend. Lidstaten kijken naar elkaars initiatieven, proberen van elkaars ervaringen te leren en elders gemaakte fouten te vermijden. Met de afspraken uit 1997 verplichtten de lidstaten zich elkaar jaarlijks te informeren via nationale actieplannen over de voortgang in het werkgelegenheidsbeleid. Daarbij gaat het niet alleen om bestrijding van werkloosheid, maar ook om de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt, ondernemerschap, aanpassingsvermogen van bedrijven en gelijke kansen. Zo moeten alle lidstaten jongeren die werkloos worden binnen zes maanden een baan of scholing aanbieden. Dit beleid – in Nederland bekend als de `sluitende aanpak' – zou zonder Europese afspraken niet tot stand zijn gekomen.

De werkgelegenheidsafspraken stimuleren landen tot goed beleid. Niemand wil immers onderaan het `scorebord' staan. Zo bedong de Spaanse premier Aznar indertijd dat zijn land – met een jeugdwerkloosheid van 25 procent – een uitzonderingspositie kreeg en niet hoefde te voldoen aan de afspraken over het terugdringen van de jeugdwerkloosheid. Bij terugkeer in Spanje kreeg hij de wind van voren: men wilde helemaal geen uitzonderingspositie, maar gewoon meedoen met de andere lidstaten.

Natuurlijk is er nog veel te verbeteren in Europa. In een Unie waar 15 miljoen mensen geen werk hebben, 30 miljoen mensen op of onder de armoedegrens leven en 3 miljoen mensen dakloos zijn, zijn grote ambities een dringende noodzaak om tot verbetering van het sociale stelsel te komen. Elke vergelijking met de Verenigde Staten – zoals Labohm die toepast – gaat hier mank. Wij kunnen leren van Amerika als het om Internet gaat, maar de Verenigde Staten hebben Europa weinig te bieden als het om de vormgeving van een rechtvaardig en solidair sociaal stelsel gaat. Het Europese sociale model dient te worden aangepast, maar ontmanteling dient met kracht te worden bestreden. Het is daarom van belang dat op Europees niveau concrete afspraken worden gemaakt over het bestrijden van armoede, het bevorderen van gelijke kansen en de modernisering van de sociale zekerheid, inclusief pensioenstelsels en gezondheidsbescherming.

Juist daarin schieten de afspraken in Lissabon te kort. Er worden weliswaar mooie woorden besteed aan sociale samenhang en het tegengaan van sociale uitsluiting, maar eerdere voorstellen om voor armoedebestrijding vergelijkbare afspraken te maken zoals we die kennen voor werkgelegenheid, zijn gesneuveld. Evenzeer ontbreken afspraken om de combinatie van arbeid en zorg in de lidstaten te verbeteren. Waar veel aandacht wordt besteed aan de noodzaak van toenemende arbeidsparticipatie van vrouwen, zou het bepaald geen kwaad kunnen concrete afspraken te maken over bijvoorbeeld de aanwezigheid van kinderopvang en ouderschapsverlof. Natuurlijk moeten afspraken realistisch zijn. Maar ambitie en realisme sluiten elkaar niet uit. Gelukkig heeft Wim Kok met zijn uitspraak dat de werkgelegenheidsafspraken in Lissabon `ambitieus, maar haalbaar' zijn, afstand genomen van minister Zalm die dit eerder `volksverlakkerij' noemde. Om de gestelde ambities te verwezenlijken, is het nodig dat Europese afspraken de verantwoordelijkheid van lidstaten vergroten om goed beleid te voeren, zonder de nationale verantwoordelijkheid te ondermijnen. Ambities en streefcijfers kunnen op EU-niveau vorm krijgen; bij de implementatie daarvan dient rekening te worden gehouden met nationale culturen en institutionele verhoudingen. Succes is bovendien alleen te verwachten indien afspraken maatschappelijk draagvlak hebben. Daarom is het zo belangrijk dat er op Europees niveau sinds kort een macro-economische dialoog plaatsheeft, waarbij de Europese Commissie, de lidstaten, de Europese Centrale Bank en de sociale partners zijn betrokken. Voor de sociale partners geldt – net als voor de lidstaten – dat ze van elkaar kunnen leren. Dat geldt voor de vakbeweging, maar evengoed voor de werkgevers. Op dit moment bestaan er diverse overlegstructuren van sociale partners. Hun rol zou in de toekomst versterkt kunnen worden, bijvoorbeeld via een soort Europese sociaal-economische raad, analoog aan de Nederlandse SER. In zo'n raad kunnen afspraken gemaakt worden over loonmatiging, maar ook over het stimuleren van kansen voor allochtonen op de arbeidsmarkt, het bestrijden van armoede en het ontwikkelen van houdbare pensioenstelsels.

Het bevorderen van Europees sociaal beleid is een kwestie van beseffen dat sociale investeringen een noodzakelijke voorwaarde zijn voor de nieuwe kenniseconomie. Het is niet in de laatste plaats een kwestie van politieke wil. De nieuwe minister van Sociale Zaken Vermeend kan direct aan de slag.

Jet Bussemaker is lid van de Tweede Kamer en maakt deel uit van de PvdA-fractie.