Antenne stellen

`Iets naar links, nee nee, naar rechts, nee terug.' Urenlang stonden vaders, zonen en buurmannen – technische apparaten waren mannenzaak – op het dak, in de tuin, in de deuropening, voor het raam en voor het kastje elkaar aanwijzingen toe te roepen om op het sissende, knetterende en piepende scherm iets herkenbaars tevoorschijn te toveren. Wij waren geloof ik de eersten in de straat die een televisietoestel aanschaften. Vader was tijdens het ritueel van het antenne stellen de knoppenist tot het moment dat zijn rug begon te protesteren door het gekruip en gebuk om en over het toestel: ,,Probeer jij het maar eens, ik weet het ook niet meer.''

De kast was van donker glanzend hout met deurtjes, het beeldscherm naar huidige maatstaven klein en bol. Het grootste probleem was het scherp stellen van het uiteraard zwart-witte beeld met behulp van de antenne en de afstelknoppen op het toestel. `Sneeuw' heette de meest voorkomende visuele storing, die meestal ook gepaard ging met het nodige geruis.

Een ander euvel was het `lopen' van het beeld. Tegenwoordig kun je met het indrukken van een pijltje het beeld van je pc-scherm laten lopen, maar destijds liep alles nog spontaan. Met behulp van een knop achterop het toestel lukte het vaak om het beeld weer stil te zetten, maar het gebeurde ook dat iemand permanent naast het toestel moest zitten om de zaak enigszins stabiel te houden. De beeldschermen waren van dusdanige kwaliteit dat alleen in het donker, of in ieder geval in het halfdonker gekeken kon worden. Overdag gingen de gordijnen in de voorkamer, waar bij ons thuis het apparaat stond, dicht. In de avonduren brandde er op of achter de televisie een afgeschermde `televisielamp'

Ook de weersomstandigheden hadden een grote invloed op de kwaliteit van het beeld. Somber regenachtig weer zorgde voor nog meer sneeuw dan gewoonlijk, maar bij helder vriesweer ontving je soms beelden uit Denemarken of Spanje.

Het eerste televisietoestel dat ik heb gezien stond in de etalage van radiohandelaar Entjes aan de Hammerweg in Vroomshoop. Door de sneeuw op het scherm was maar af en toe iets waar te nemen van het gebodene, maar toch stonden er dagelijks drommen mensen voor de etalage om zich persoonlijk te overtuigen van het bestaan van het nieuwe fenomeen.

Dit was in 1954 of daaromtrent. We konden in die tijd twee zenders ontvangen, de Nederlandse zender Lopik en de Duitse zender Langenberg. De ontvangst van de bewegende beelden verbeterde aanzienlijk toen er later steunzenders werden gebouwd in Lingen (D) en in Markelo. De Duitse televisie, in het oosten ook wel de `Pruus' genoemd, zond veel meer uren per dag uit, maar was alleen maar in de grensstreek te ontvangen. Ik heb heel wat zaterdagochtenden al aardappelschillend naar Duitse natuurfilms zitten kijken. In Nederland begonnen de uitzendingen pas aan het eind van de middag en op zondag werd er aanvankelijk helemaal niet uitgezonden.

Naast de NTS, later NOS, gingen ook de verzuilde radio-omroepverenigingen televisieprogramma's maken en uitzenden. Er deed zich een tijdlang de paradoxale situtie voor – tot vrijwel iedereen over een eigen toestel beschikte – dat ondanks de strak doorgezette verzuiling het nieuwe medium ervoor zorgde dat er een soort verbroedering rond en voor de beeldbuis ontstond. Op woensdagmiddag zaten er bij ons thuis ineens gereformeerde, hervormde en `openbare' kinderen voor de televisie. Voor de komst van het `oog in de hoek' was zoiets ondenkbaar geweest. Het medium dat gebruikt werd om de verzuiling verder door te voeren heeft misschien op veel plaatsen tevens de eerste stoot gegeven tot het doorbreken ervan.