Aldus sprak Helmut Kohl

Heeft de oud-kanselier nog altijd niets te zeggen? Toch wel. Kort voor zijn zeventigste verjaardag, afgelopen maandag, heeft Helmut Kohl, als de schijn niet bedriegt, voor het eerst zijn veelbesproken zwijgen toegelicht tegenover Martin Walser. Verslag van een gesprek in de fantasie van een schrijver.

Neemt u gerust van mij aan dat ik verrast was toen ik hoorde dat Helmut Kohl bereid was om tegenover mij zijn veelbesproken zwijgen zo al niet te verbreken, dan toch toe te lichten met een duidelijkheid die er heel het schandalige karakter aan zou ontnemen. Als ik goed begrepen heb wat mij is meegedeeld, mag ik het allemaal doorvertellen. Waarom zou je het anders aan een schrijver zeggen!

Wat ik hoorde is zo simpel dat misverstanden uitgesloten zijn. Misverstanden bestaan sowieso niet. Iedereen moet dingen toch op zijn eigen manier mogen begrijpen. Alleen autoritaire figuren of andere zendelingen eisen dat wat zij zeggen, slechts op één manier mag worden begrepen. Ik zeg dit ook, omdat ik Kohls woorden niet letterlijk weergeef. Ik geef de mededelingen in de indirecte rede weer, want een bandrecorder had ik er niet bij, en mijn eerbied voor andermans formuleringen is te groot dan dat ik zou wagen hem te imiteren.

Helmut Kohl heeft dan gezegd dat hij meteen na zijn verkiezingsnederlaag in het najaar van 1998 inzag dat zijn partij in zijn schaduw dreigde te verkommeren. Nu de macht verloren was, had hij begrepen dat hij daarvan te veel had gehad, te veel in zichzelf had geconcentreerd, te veel persoonlijk had uitgeoefend. Zijn partij had klaarblijkelijk verleerd om zonder hem iets te ondernemen. Kohl had, zo vertelde hij, rond zich een zekere verstarring geconstateerd. Iedereen keek naar hem. Iedereen liet alles wat verder zou gebeuren, van hem afhangen.

Maar zelf vond hij dat het einde bereikt was. Hij had toch bereikt wat hem voor ogen stond? Duitse eenheid, Europese integratie. Wat wilden ze verder nog van hem? Waarom stuurden ze hem, die de verkiezingsnederlaag als historische les probeerde op te vatten, niet met pensioen? Desnoods tegen zijn zin. Was er dan helemaal nergens een vadermoordenaar te bespeuren? Niets dan half- en mini-Kohls. Maar hij had het vermoeden gekregen dat dat slechts schijn was, de naweeën van zijn achterhaalde invloed. Zodra hij weg was, zou overal in zijn partij de energie losbarsten. Dus: weg met hem. Maar hoe? Politiek-morele zelfmoord dan maar, of tenminste iets wat daar sterk op leek.

Daarom had hij gezorgd dat een bescheiden misstap aan het licht kwam. Een schenking van 2,1 miljoen die hij niet volgens de regels had laten boeken. Dus heus niets wereldschokkends, niets echt ernstigs, geen sprake van verdorven inhaligheid – alleen maar een typisch geval van een machthebber die zich niet druk maakt om de kleine lettertjes.

Geleid door zijn fijne neus voor wat effect sorteert, heeft hij dat akkefietje van twee miljoen opgesnord en als nieuws gelanceerd. Wat toen gebeurde heeft zelfs hem, de kenner en maker van de publieke opinie, verrast. Het ging hem er alleen maar om, zijn partij in staat te stellen hem de bons te geven. Hij had niet durven dromen dat hem dat zo fantastisch zou lukken. Hij was alleen maar bang geweest dat de partij de generatiewisseling domweg zou verzuimen en daardoor voor tien jaar of nog langer onverkiesbaar zou worden. Hij was juist bang geweest dat half- of mini-Kohls hem zouden opvolgen. Daarom ook had hij de affaire door zijn radicale zwijgen tot een schandaal gemaakt. Hij had zijn zwijgfaçade moeten ophouden tot zelfs de laatste aanhangers aan hem begonnen te twijfelen en hun slappe loyaliteit als een versleten gewaad van hun schouders lieten glijden.

Maar hij had nooit kunnen voorzien hoeveel rechtschapenheid in deze republiek leeft. Hij had willen bereiken dat zijn partijvrienden zich van hem afkeerden, meer niet. De rechtschapenheid die zijn simpele manoeuvre in heel het land had doen ontluiken, was voor hem een geschenk uit de hemel geweest. Politici van alle partijen waren gewoonweg opgebloeid in een ware bloesempracht van rechtschapenheid. En dan uit alle politieke hoeken en gaten die ontroerende begaanheid met het wel en wee van de christendemocratische partij! Cynici, de kilste intellectuelen, geestelijken en atheïsten – enkel en alleen de afschuw over zijn zwijgen had hen tot een ten democratischen hemel schreiend koor van rechtschapenheid gemaakt. Nog nimmer had deze republiek zo veel goede mensen, zo veel rechtvaardigen gekend als thans. Want één ding was duidelijk geworden: iedereen die hém had gekritiseerd, was daardoor zelf een beter mens geworden.

Na zestien jaar Kohl – vol verachting het `systeem-Kohl' genaamd – deze ethische gevoeligheid, deze obsessieve deugdzaamheid. Dat mocht hij zich toch wel als verdienste aanrekenen. Nog nooit waren zo velen het zo mooi met elkaar eens. Van PDS tot FDP een welhaast mateloos goed-zijn, beter-zijn, beter-dan-Kohl-zijn. Niets, aldus Kohl, had hem in zijn leven zó geraakt en ontroerd als deze allernobelste wedijver in het beter-dan-Kohl-zijn. Voor hem was het genoeg geweest als deze wedijver tot zijn partij beperkt was gebleven; dat het zou uitgroeien tot een nationale morele marathon, had hij natuurlijk niet durven hopen. Hij had aan Daniel Defoe moeten denken, die het had klaargespeeld om voor een zonder meer vergelijkbare streek, namelijk zijn pamflet The Shortest Way with the Dissenters, aan de schandpaal te komen. Maar wat een bescheiden vertoning op een knus Londens plein had die Engelsman voor lief moeten nemen, vergeleken bij de mediaschandpaal die de schandpaalmedia voor hem, Helmut Kohl uit de Vorderpfalz, met onvermoeibare felheid hadden opgericht.

Toen hij zelfs had mogen lezen dat hij `de foute Duitser belichaamde' – en hij wist heel goed dat `de foute Duitser' dat soort culturele bijlagen aan het hart gebakken was – toen hij zich op oerdegelijk papier zo beschreven en onderscheiden zag, tòen had hij voor het eerst gemerkt dat hij gevoelig was voor rillingen van exhibitionistisch genot. Het was hem een genot geworden om als belichaming van de foute Duitser ons jongste chauvinisme – het Duitse nationale masochisme – zo geweldig van dienst te kunnen zijn.

Wel had hij nog één keer een handje moeten helpen. Toen de aanklacht wegens misbruik van gelden de bruisende golf van gerechtigheid dreigde te doen smoren in juristerij, had hij nog rap zes miljoen aangenomen en deze aan de partij overhandigd, waarmee hij, dat moest hij toegeven, de wedloop in goed-, dan wel beter-zijn nog eens flink had gestimuleerd. Denk alleen al aan de ethisch onvermoeibare noordelijkste minister-presidente, die ervoor pleit om geen Nestlé-producten meer te kopen, omdat een Nestlé-directeur hem, Kohl, geld geschonken heeft. In een wereld waarin vele zaken maar al te gemakkelijk al te ingewikkeld worden, mag een mens dankbaar zijn voor zulk vertoon van politiek-ethische eenvoud.

,,Verbreek dit raadselachtig zwijgen'', zei in Schillers Don Carlos de toenmalige vertegenwoordiger van de media, de biechtvader van de koning, tot de prins. Hij vond het toch een vooruitgang, zei Kohl, dat geen van de huidige vertegenwoordigers van de media zijn zwijgen `raadselachtig' had genoemd – in plaats daarvan had ieder van hen achter zijn zwijgen weer een andere schurkenstreek gezocht. In de Frankfurter Allgemeine Zeitung had hij al tijden geleden gelezen dat Lao-tse en Chuang-tzu hadden onderwezen dat het streven naar een definitie van het goede, leidt tot het kwade. Dat had hij begrepen. Maar nu had hij ondervonden dat ook het omgekeerde perfect opgaat: wie het kwade verbeeldt, brengt het goede voort.

De verbeelding van het kwaad, meent hij nu, zou niet met zoveel fantasie en ijver kunnen worden bedreven als de mensen die het deden zich niet tegelijkertijd als goed beschouwden. En laat niemand zich te goed voelen om door slecht te zijn goeds voort te brengen. Laat dat alsjeblieft als gebod van Kohl in ieder ethisch compendium opnemen. Dat dit een van louter rechtschapenheid daverende republiek geworden is, en dat in deze republiek het goed-zijn van de goeden zo heeft kunnen triomferen, dát, zo meent Kohl, rechtvaardigt de slechtheid van de slechte. Op dit moment leeft hij in een stemming van volmaakte harmonie.

In historische processen die werkelijk in overeenstemming zijn met de tijd- of wereldgeest, en die dus wel moeten slagen, gebeurt altijd meer dan zelfs het grootste genie – en niemand zou zich als zodanig mogen beschouwen – zou kunnen beramen. Hij heeft, zo zegt hij, enkel en alleen willen bereiken dat hij aan de kant kon worden geschoven. Dat zijn daartoe noodzakelijke slechtheid vervolgens deze orgie van goed-zijn heeft ontketend, is de historische meerwaarde van alles wat slaagt, of de typisch Duitse onverzadigbaarheid wat goed-zijn betreft.

Martin Walser is schrijver.

© Die Zeit