Weg met het welvaartsschroot

Metaalrecycling in Nederland is in enkele decennia uitgegroeid tot een moderne bedrijfstak. Opererend op het snijvlak van milieu en economie levert de branche een belangrijke bijdrage aan het door de politiek zo gekoesterde streven naar een duurzamere economie. In de praktijk echter ontwikkelt de metaalrecycling zich eerder ondanks dan dankzij het overheidsbeleid.

Na het succes van de oudpapierinzameling en de glasbak richt de publieke aandacht zich nu ook op de metaalrecycling. Met een hergebruikpercentage van circa 80 procent behoort de Nederlandse metaalrecycling inmiddels tot de koplopers in Europa. De Nederlandse verwijderingsstructuur voor autowrakken stond model voor een onlangs door het Europees Parlement aangenomen richtlijn voor de gehele Europese Unie, en als we de recente reclamespotjes mogen geloven, staan gretige recyclers in blauwe overalls gereed om nu ook ons wit- en bruingoed – afgedankte koelkasten, televisies, drogers, et cetera, ook wel `welvaartsschroot' geheten – in ontvangst te nemen.

Het zal duidelijk zijn dat de metaalrecyclingbranche het `Stiefbeen & Zoon'-imago reeds lang geleden heeft afgeschud. In enkele decennia tijd is de inzameling, verhandeling en verwerking van metalen door onder andere schaalvergroting en automatisering uitgegroeid tot een moderne bedrijfstak. In de branche zijn een kleine duizend bedrijven actief met een gezamenlijke jaaromzet van 1,5 miljard gulden. De 150 grootste bedrijven – goed voor 90 procent van de omzet – hebben zich verenigd in de MetaalRecycling Federatie (MRF). De metaalrecycling biedt werk aan zo'n 10.000 mensen en kent een piramidale structuur: een paar honderd kleinere inzamelingsbedrijfjes leveren materiaal aan enkele tientallen middelgrote en grote handelaren, verwerkingsbedrijven en exporteurs.

Dat iets `lood om oud ijzer is' zal men in de metaalrecyclingbranche niet gauw vernemen, want elke metaalsoort heeft zo zijn eigen marktwaarde. Door het grote aanbod op de wereldmarkt schommelt de prijs voor ijzer- en staalschroot – ook wel `scrap' geheten – de laatste jaren tussen de 100 en 250 gulden per ton. De prijs van de zogenaamde non-ferrometalen (lood, koper, aluminium, zink, nikkel en tin) is daar een veelvoud van, met als uitschieters tin en nikkel tegen prijzen van 7.500 en 15.000 gulden per ton.

De metaalrecyclingbranche werkt in belangrijke mate voor de export, niet in de laatste plaats vanwege het feit dat Nederland vrijwel geen zware industrie meer kent en evenmin voldoende capaciteit voor het hersmelten van oude metalen. Jaarlijks wordt in Nederland zo'n twee miljoen ton aan ijzer- en staalschroot ingezameld. Samen met de doorvoer uit met name Duitsland komt de jaaromzet dan op zo'n 3,5 miljoen ton, waarvan het merendeel – 3,3 miljoen ton – bestemd is voor de export. De belangrijkste bestemming is Turkije, op afstand gevolgd door Duitsland, België en Luxemburg, Indonesië en Zuid-Korea. In de non-ferro sfeer bedraagt de jaaromzet bijna een half miljoen ton, waarvan een derde via doorvoer beschikbaar komt. Ook hier wordt het meeste materiaal geëxporteerd.

Naast deze handel levert de metaalrecycling ook een belangrijke bijdrage aan het milieu. Niet alleen wordt er veel minder beroep gedaan op schaarse (primaire) grondstoffen, maar het leidt tevens tot een vermindering van afval, energieverbruik en uitstoot van CO2. Zo vergt het hersmelten van koper bijvoorbeeld slechts 25 procent van de energie die anders nodig zou zijn voor het winnen van hetzelfde metaal uit erts. Bij aluminium bedraagt die besparing zelfs 95 procent.

In de hergebruikketen kunnen verschillende fasen worden onderscheiden. Deze fasen werden in 1979 door het toenmalig Tweede-Kamerlid Lansink geïntroduceerd om een prioriteitsvolgorde te kunnen geven aan de verschillende vormen van hergebruik. De eerste fase – nadat de eerste gebruiker het product heeft afgedankt – is die van het producthergebruik. Het product gaat over in handen van een tweede gebruiker (tweedehands) of onderdelen van het oorspronkelijke product worden opnieuw gebruikt (bijvoorbeeld auto-onderdelen). In de volgende fase is sprake van materiaalhergebruik. De verschillende materialen waaruit een afgedankt product is samengesteld worden zo goed mogelijk gescheiden en opnieuw gebruikt als secundaire grondstof (schroot wordt bijvoorbeeld hersmolten in de staalindustrie). Het materiaal dat vervolgens overblijft (zoals plastics, hout, e.d.) wordt – voor zover het daarvoor geschikt is – zodanig verbrand dat terugwinning van energie plaatsvindt. Daarna volgt verbranding zonder terugwinning van energie en de laatste fase komt neer op het storten van niet of moeilijk verbrandbaar restafval.

De prioriteitsvolgorde op deze `Ladder van Lansink' is duidelijk: hoe eerder (en hoger) hergebruik plaatsvindt, des te beter voor het milieu. De laatste fase – het storten – dient zoveel mogelijk te worden voorkomen. Vandaar ook dat van overheidswege deze optie minder aantrekkelijk wordt gemaakt door de kosten van storten en verbranden steeds verder te verhogen en zelfs een stortverbod af te kondigen voor bepaalde vormen van afval. Dat deze maatregelen sommige bedrijven aan het eind van de metaalrecyclingketen – de zogenaamde `shredders' die grote hoeveelheden materiaal vermalen – in economische zin in de problemen brengen, omdat zij onvermijdelijk blijven zitten met restafval, wordt kennelijk beschouwd als een noodzakelijk kwaad.

Dergelijke maatregelen kenmerken het overheidsbeleid ten aanzien van het hergebruik van materialen. Het is een strikt sectorale milieubenadering, waarin geen plaats is voor de economische basis van de recyclingbranche. Zelfs in de medio 1997 verschenen nota `Milieu en Economie' waarin de departementen van Economische Zaken en Milieu voor het eerst een gezamenlijk perspectief schetsten van een duurzamere economie, werd nauwelijks aandacht besteed aan de rol van de recycling hierbij.

Een principieel verschil van inzicht tussen de branche en de overheid is gelegen in het feit dat wat de metaalrecycling ziet als (secundaire) grondstoffen – afgedankte metalen die al dan niet na bewerking weer in de kringloop worden gebracht – door de overheid steevast tot `afval' worden bestempeld. Zowel in Nederlandse als Europese wet- en regelgeving wordt uitgegaan van het standpunt van de ontdoener: eenmaal afgedankt verwordt iets per definitie tot afval, ook al is het voor honderd procent geschikt voor hergebruik. In feite is alle materiaal verdacht, tenzij het tegendeel wordt bewezen. Het gevolg is dat voor opslag, transport, export en verwerking van deze materialen speciale voorzieningen en vergunningen kunnen zijn vereist die kostbaar en/of tijdrovend zijn. Bovendien schaadt deze benadering de internationale concurrentiepositie van de branche. In de Verenigde Staten bijvoorbeeld wordt direct voor hergebruik beschikbaar komend ijzer- en staalschroot sinds enkele jaren niet meer gezien als afval, maar als secundaire grondstof.

Een extra belemmering voor de Nederlandse metaalrecycling vormt het verschil in handhavingsbeleid tussen de lidstaten van de EU. In een studie die begin 1997 werd gemaakt voor het Directoraat-Generaal III (Interne Markt en Industriële Zaken) van de Europese Unie, wordt zelfs een aparte paragraaf gewijd aan de `overijverige Nederlanders' die de Europese richtlijnen het meest strikt handhaven. Daar komt bij, dat in de dagelijkse praktijk de handhaving eerder formeel en naar de letter der wet is dan pragmatisch en volgens de intentie van de wetgever. Conform internationale afspraken zijn stoffen verdeeld over zogenaamde groene, oranje en rode lijsten. Hoe roder, hoe gevaarlijker voor het milieu en des te meer voorzorgsmaatregelen worden vereist. Combinaties van materialen – wat natuurlijk het meest voorkomt – staan als zodanig niet op de lijsten en worden door de overheid dan gemakshalve als `rood' bestempeld. Zo kan een lading afgedankte telefoonkabels bestaande uit een koperen kern met omhulsel van plastic – beide `groen' want probleemloos te verwerken – halverwege een transport geconfronteerd worden met eisen die doorgaans aan stoffen van de rode lijst worden gesteld. In het ergste geval moet ook nog het oordeel van een deskundige worden afgewacht, wat de vertraging zelfs tot 24 uur of langer kan doen oplopen.

Het is de vraag of met deze vraagstukken niet wat pragmatischer kan worden omgegaan en wat meer vertrouwd kan worden op het verantwoordelijkheidsbesef van de inmiddels sterk geprofessionaliseerde en gespecialiseerde branche. Dat het bedrijfsleven zeer wel in staat is om op verantwoorde wijze vorm te geven aan de verwerking van afgedankte materialen, blijkt uit het voorbeeld van Auto Recycling Nederland (ARN).

Deze, in 1995 door de autobranche opgerichte organisatie, zag kans in vijf jaar tijd via een vergunningensysteem de demontagesector (`slopers') te saneren en het recyclingpercentage van autowrakken op te voeren van 76 naar 85 procent. In samenwerking met de shredders van de MRF wordt momenteel gewerkt aan nieuwe mogelijkheden om het resterende `shredderafval' te verwerken. In de bestaande afvalverbrandingsinstallaties doet dit afval de temperatuur tezeer stijgen, maar juist dit hoogcalorische gehalte biedt mogelijkheden om via nieuwe procédés energie op te wekken.

Daarmee kunnen twee vliegen in één klap worden geslagen: het recyclingpercentage van autowrakken kan de komende jaren tot 95 procent oplopen (conform de recente EU-richtlijn die dit verplicht stelt voor 2015), terwijl de shredders hun restafval aanzienlijk zullen kunnen verminderen.