Veel vragen onbeantwoord over wachtlijsten in de zorg

De Kamer maakt zich druk over de wachtlijsten in de zorgsector. Maar de omvang ervan kan niet eenduidig worden vastgesteld.

Vormen de thuiszorg, de gehandicaptenzorg en de ouderenzorg inderdaad een bodemloze put, zoals de VVD gisteren in de Tweede Kamer tijdens het debat over wachtlijsten suggereerde? Een sector waarin de afgelopen jaren miljarden guldens extra zijn gepompt zonder dat iemand kan aangeven wat er met dat geld is gedaan? ,,Alsof het is vervluchtigd'', zo schetste het Kamerlid Van Blerck (VVD) de stand van zaken.

Het is niet voor het eerst dat er in de Tweede Kamer wordt geklaagd dat het droevig is gesteld met de verantwoording van de ruim zeventig miljard gulden die de gemeenschap jaarlijks in de zorg steekt. En dit geldt vooral voor het geld dat met een speciaal oogmerk, zoals het wegwerken van wachtlijsten, ter beschikking wordt gesteld.

Intussen meldt de sector zelf in de jaarlijkse rapportage `Gezondheidszorg in Tel' dat sinds 1992 in de ouderen- en gehandicaptenzorg de productiviteit is gedaald. De omvang van het personeelsbestand groeide meer dan de productie toenam, een situatie die ook voor de komende twee jaar wordt voorzien. Dezelfde rapportage meldt ook dat ouderen- en gehandicaptenzorg financieel ruimer in hun jas zijn komen te zitten, wat ook blijkt uit de reserves van de instellingen en inrichtingen die het afgelopen decennium fors toenamen. Intussen worstelen onderzoeksbureaus met de wachtlijsten, of liever met het in kaart brengen daarvan. Vorige week publiceerde Vliegenthart de resultaten van een enquête bij thuiszorg, verpleeghuizen en verzorgingshuizen. Maar ondanks het vele rekenwerk, waarvoor de onderzoekers een eigen model ontwikkelden, is het resultaat in de woorden van staatssecretaris Vliegenthart (Welzijn) ,,nog steeds boterzacht''.

Voor een deel komt dat doordat de instellingen niet zijn gehouden aan uniforme regels voor de registratie en elk op hun eigen manier bepalen of iemand op een wachtlijst komt en wanneer. Van centrale registratie van de wachtenden is maar bij een kleine minderheid van de instellingen sprake. Met name in de thuiszorg doet elke instelling dat zelf en ook op een eigen manier. Uit de ingevulde enquêteformulieren (de respons was relatief laag en het kostte de onderzoeker veel moeite om die te realiseren) blijkt dat er nog relatief veel instellingen zijn die met de hand bijhouden wie op de wachtlijst komt of de omvang ervan gewoon schatten. Minder dan de helft van de instellingen weet welke hulp hun wachtende klanten al krijgen, zo'n driekwart kan aangeven hoe urgent de gevraagde zorg is, al loopt het bijna per instelling uiteen wat als `urgent' wordt aangemerkt.

Als alleen de ingevulde enquêteformulieren als basis worden genomen zouden er, geëxtrapoleerd, landelijk ruim honderdduizend mensen wachten op hulp door verpleeghuizen, verzorgingshuizen en thuiszorg. De onderzoekers zijn bij een aantal van de wachtlijsten nagegaan in hoeverre er sprake was van vervuiling: mensen die op meerdere wachtlijsten voorkomen, al hulp krijgen of inmiddels zijn overleden en dergelijke. Door daar bij de telling rekening mee te houden komen de onderzoekers tot de conclusie dat er vermoedelijk zo'n 57.000 mensen daadwerkelijk op hulp wachten. Maar zekerheid daarover hebben ze niet: volgens de onderzoekers kan het aantal hooguit dienen als ijkpunt om na te gaan of na oktober vorig jaar (het onderzoek had betrekking op de stand van zaken begin oktober) de wachtlijsten langer of korter zijn geworden.

Voor de individuele hulpvrager is de lengte van een lijst niet van belang, wel hoe lang hij moet wachten. Volgens de onderzoekers zijn de wachttijden vermoedelijk korter dan de instellingen zelf aangeven.