Ombudsman: VWS laks bij dubieuze therapie over incest

. Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft zich te passief opgesteld in de problematiek rond zogenoemde `hervonden incestherinneringen'. Dat oordeelt de Nationale Ombudsman in een vandaag verschenen rapport. De ombudsman voerde zijn onderzoek uit naar aanleiding van een klacht van de Werkgroep Fictieve Herinneringen, een groep ouders die stelt ten onrechte door hun kind van incest te zijn beschuldigd.

Bij `hervonden incestherinneringen' komen volwassen mensen er tijdens een bepaalde vorm van (psycho)therapie achter dat ze als kind seksueel zijn misbruikt. Vóór de therapie waren ze zich hiervan niet bewust. In veel gevallen wordt een van de ouders vervolgens beschuldigd van incest.

Hoe vaak het verschijnsel voorkomt is niet precies bekend. De Werkgroep Fictieve Herinneringen kent ruim tweehonderd gevallen.

Volgens nationale ombudsman, R. Fernhout, heeft het ministerie dergelijke therapieën waarin verdrongen incestherinneringen een rol spelen onvoldoende kritisch benaderd. Aanvankelijk was dit volgens de ombudsman begrijpelijk, omdat onder psychologen en psychiaters geen overeenstemming bestond over het fenomeen. Vanaf 1996 verschenen echter wetenschappelijke publicaties met onderbouwde kritiek, zoals het boek Hervonden herinneringen en andere misverstanden van de hoogleraren Crombag en Merckelbach. Bovendien werd de Inspectie voor de Gezondheidszorg steeds vaker geconfronteerd met klachten van ouders die door hun kind waren beschuldigd.

Op dat moment had het ministerie zich volgens Fernhout actiever op moeten stellen, bijvoorbeeld door meer onderzoek te laten doen en bij te dragen aan consensusvorming binnen de beroepsgroep. Herhaalde oproepen van het ministerie aan de beroepsgroep om te komen tot een protocol acht de ombudsman onvoldoende. Bij het uitblijven van het protocol had het ministerie zelf een oordeel moeten vormen over de schadelijkheid van deze therapieën, aldus de ombudsman.

De werkgroep Fictieve Herinneringen is tevreden over het rapport. De werkgroep hoopt dat het ministerie therapeuten beter gaat aansturen en controleren. Ook dringt de werkgroep aan op hulp aan de desbetreffende patiënten. Uit Amerikaans onderzoek blijkt dat het de meeste `vermeende incestpatiënten' niet goed gaat. Volgens het ministerie gaat het om wilsbekwame personen die uit vrije wil kiezen voor een bepaalde behandeling. Maar volgens de ombudsman betreft het ,,zeer kwetsbare personen'' die mogelijk extra hulp nodig hebben.