Foute prognoses cellen spelen Justitie parten

Onzekerheid over ontwikkelingen in de misdaad maakt het moeilijk de behoefte aan cellen goed te voorspellen, zo ondervindt nu ook minister Korthals.

Minister Korthals `schaamt zich niet dood', maar hij vindt het wel `vervelend'. De bewindsman kreeg gisteren de Tweede Kamer over zich heen - de linkerflank uitgezonderd - omdat hij in het geval van extreme pieken in het aanbod voor gevangenissen, gedetineerden die hun straf er vrijwel op hebben zitten naar huis wil kunnen sturen.

De Kamer wist niet beter dan dat er een oplopend cellenóverschot was, terwijl nu sprake leek van een cellentekort. De bewindsman en zijn ambtenaren kunnen niet rekenen, zo luidde het verwijt gisteren. Maar er is geen tekort, het is alleen zo dat de honderden cellen die het overschot vormen niet door elke gedetineerde kunnen worden bezet: de wet voorziet in differentiatie naar typen gedetineerden.

De afgelopen twee decennia is hard gewerkt aan het bouwen van meer cellen. ,,Niet lullen, maar cellen vullen.'' Zo vatte de voorzitter van de Vereniging van directie-ambtenaren van penitentiaire en aanverwante inrichtingen het beleid van het ministerie van Justitie samen in september 1988. Staatssecretaris Korte-Van Hemel, die het toenmalige no nonsense-kabinet Lubbers II op dit punt vertegenwoordigde, maakte duidelijk dat uitbreiding van gevangeniscapaciteit van het grootste belang was: ,,De afgelopen jaren zijn we ontzettend bezig geweest met uitbreiding. In de zin van: als er maar een bed en een stoel en een slot is, dan voldoen we aan de eerste verlangens die er op het ogenblik zijn.'' Die verlangens waren in 1985 al uiteengezet door haar voorganger, minister Korthals Altes (VVD). Hij baande het pad voor een verharding van het strafrechtelijk klimaat. Zijn beleid werd gekenmerkt door twee deviezen: uitbreiding van het aantal cellen en een betere afstemming van opsporing, vervolging en berechting, zodat die cellen ook konden worden gevuld. Zijn opvolger Hirsch Ballin (CDA) zette dat beleid voort. Onder zijn bewind ging voor het eerst in dertig jaar het gemiddeld aantal personen dat één of meer dagen in een penitentiaire inrichting doorbracht omhoog. Ook al schoof de politieke signatuur van de achtereenvolgende bewindslieden op naar links, het aantal cellen bleef gestaag stijgen. Onder het bewind van minister Sorgdrager (D66) nam dat tussen 1994 en 1998 met nog eens 43 procent toe, waarbij opvallend veel ruimte in huizen van bewaring werden gecreëerd. Voor voorlopig gehechten dus, mensen die worden verdacht maar nog niet zijn veroordeeld. Dat was niet geheel onlogisch, want in de eerste twee kwartalen van 1993 werden 2.388 verdachten heengezonden, veel meer dan in de jaren daarvoor. Op 14 mei van dat jaar leek de bom te barsten toen in Amsterdam een van doodslag verdachte man werd heengezonden wegens capaciteitsgebrek, terwijl een fors aantal mensen in het huis van bewaring vertoefde wegens het onbetaald laten van een verkeersboete.

Gegeven die ontwikkeling lag het voor de hand dat minister Korthals bij zijn aantreden in de zomer van 1998 een fors cellenoverschot aan zag komen, voor een VVD-minister geen plezierige boodschap aan het parlement, dat enerzijds `hartstikke blij' was dat het probleem opgelost bleek te zijn, maar anderzijds moest begrijpen dat er zo wel een verspilling van rond 15 miljoen gulden op jaarbasis was.

Oktober vorig jaar zei Korthals dat er gebouwd was op grond van `onjuiste prognoses': minder zware straffen en een toename van het aantal taakstraffen. Bij gebrek aan een convenant met het inbrekersgilde over het aantal te plegen delicten, kunnen ramingen nu eenmaal alleen op grond van onzekere prognoses worden gedaan.

In 1992 al had de Algemene Rekenkamer vernietigende kritiek op die prognose-techniek van Justitie. Duidelijk werd toen al dat met prognoses uiterst omzichtig moet worden omgesprongen omdat op grond daarvan omvangrijke en kostbare bouwprogramma's worden gepland. Maar hoe het anders moest kon het college ook niet zeggen.