Europa en de VS kunnen zich geen breuk permitteren

Europa en Amerika groeien uit elkaar. Dit kan nadelig zijn voor de rest van de wereld. Daarom moet er alles aan gedaan worden om het Atlantisch partnerschap te behouden, vindt Michael Howard.

Aan weerszijden van de Atlantische Oceaan doen zich tendensen voor die het meer dan 50 jaar oude partnerschap tussen Noord-Amerika en Europa ondermijnen. Als de onenigheden uitgroeien tot strijdperken van onderlinge wedijver, waar de ene partij voordeel tracht te behalen op de andere, zal de wereld daar minder vreedzaam, minder stabiel en minder welvarend door worden.

Welke krachten zijn het die Amerika en Europa langzamerhand uiteen beginnen te drijven? Ten eerste is dat de mate waarin het zwaartepunt van Noord-Amerika in westelijke richting opschuift. Californië heeft New York allang ingehaald als de volkrijkste deelstaat van de VS. In Canada speelt Brits-Columbia een steeds voornamere rol. Silicon Valley en Microsoft bevinden zich allebei in het Westen. Japan is ondanks de recente problemen nog altijd een economische reus. En China vormt voor de VS tegelijk de grootste potentiële markt en de grootste potentiële rivaal als supermogendheid.

De laatste tijd dreigen vooral handelsgeschillen een breuk in de trans-Atlantische verhoudingen te veroorzaken. Het Amerikaanse streven extraterritoriale jurisdictie uit te oefenen, waaronder de poging het Britse zakenlieden onmogelijk te maken naar Cuba te reizen, wekt wrevel in Europa. De Europese opstelling tegenover de invoer van bananen uit het Caraïbisch gebied en vlees van met hormonen behandelde runderen leidt tot heftige reacties in Noord-Amerika. De handelsbetrekkingen over en weer zullen de nodige problemen blijven oproepen, omdat de economische belangen nu eenmaal verschillen. Steeds vaker worden regeringen door hun bedrijfsleven te hulp geroepen. Conflicten zijn onvermijdelijk.

Ook vanuit Europa staat het Atlantisch partnerschap bloot aan onheilspellende dreigingen, met als voornaamste het streven naar Europese integratie. Ten dele wordt deze gemotiveerd door het verlangen Europa op het wereldtoneel tot rivaal van de VS te maken. Ten dele, want niet iedereen die de gedachte van één Europese staat huldigt, is anti-Amerikaans. Maar sommigen zijn dat wel.

In Frankrijk werd vóór het referendum over het Verdrag van Maastricht in 1992, door pro-Europese campagnevoerders een poster verspreid waarop een Amerikaanse cowboy de wereldbol onder zijn laars vertrapte. Het bijschrift luidde: Faire l'Europe c'est faire le poids' (Wie bouwt aan Europa, doet zich gelden.)

President Mitterrand zei het plastischer: ,,Frankrijk weet het niet, maar we zijn in oorlog met Amerika. Jawel, een permanente oorlog, een levendige oorlog, een oorlog zonder doden. Ja, ze zijn staalhard, de Amerikanen, ze zijn gulzig, zij willen de ongedeelde macht over de wereld.'' Kort geleden opende de Franse minister van Buitenlandse Zaken, Hubert Védrine, de frontale aanval op de VS en herhaalde daarbij zijn omschrijving van het land als `hypermacht'. Veel voorstanders van de euro willen dat die de dollar gaat evenaren als internationale reservevaluta.

Binnen zekere grenzen, en mits de besluitvorming bij consensus geschiedt, valt er iets te zeggen voor een gemeenschappelijk Europees buitenlands beleid. EU-lidstaten hebben tal van belangen met elkaar gemeen. Het is zinvol die gemeenschappelijke belangen te beschermen door eendrachtig, gecoördineerd optreden. Maar naarmate de aanleidingen tot zulk optreden in aantal en kracht toenemen, groeit ook de kans op conflicten met Noord-Amerika. Europese landen voeren een ander beleid dan de VS te naanzien van Cuba, Israel, Irak en Libië, om slechts enkele landen te noemen.

Tot dusver blijven deze verschillen van inzicht beheersbaar en schaden ze niet de fundamentele harmonie binnen het bondgenootschap. Maar we kunnen ons zonder moeite situaties voorstellen waarin meningsverschillen acuut worden. Stel dat de EU een fundamenteel ander standpunt zou aannemen dan de VS waar het gaat om de overdracht van geavanceerde technologie aan China. Hoe lang zou het dan nog duren voordat de betrekkingen met China tot een strijdperk van transatlantische wedijver zouden worden?

En niets ligt zo gevoelig als de toekomst van de militaire betrekkingen tussen Europa en Noord-Amerika. Sinds een halve eeuw vormt deze relatie de hoeksteen van een partnerschap, ondanks de complicaties als gevolg van het feit dat niet alle Europese NAVO-leden ook EU-lid zijn, en niet alle EU-leden ook NAVO-lid. De West-Europese Unie (WEU), die alle betrokken landen omvat, fungeerde als organisatorische structuur voor de instandhouding en bevordering van het partnerschap.

Als gevolg van een initiatief van de Britse regering zal de WEU nu opgaan in de EU. De Britse regering heeft in St. Malo een akkoord met Frankrijk getekend dat voorziet in militaire samenwerking tussen beide landen ,,zowel binnen als buiten'' de NAVO. Andere afspraken betreffen de vorming van een autonome Europese defensiemacht. Het ligt voor de hand dat Europese militaire samenwerking buiten de NAVO om ingrijpende consequenties zal hebben voor het Atlantische partnerschap. Het actieve optreden van Londen in deze ontwikkeling doet de vraag rijzen in hoeverre het Verenigd Koninkrijk zijn traditionele rol van mediator zal blijven spelen.

Dit doet niets af aan het potentiële belang van die rol, dat nog altijd groot is. Bovendien is het een rol die Groot-Brittannië zou moeten opgeven indien het uit de EU stapt, zoals soms wordt bepleit. Maar ook op de rol die de Britten binnen de EU spelen kunnen de Amerikanen niet langer blindvaren. De Koude Oorlog is het bindmiddel geweest dat beide zijden van de Atlantische Oceaan bijeenhield. Interne spanningen en tegenstellingen verbleekten bij de dreiging van de Sovjet-Unie. Dit bindmiddel is opgelost. Nu de dreiging is weggenomen, denkt menigeen weer risico's te kunnen nemen.

Dat is een fundamenteel verkeerde, oppervlakkige zienswijze, al is ze in Europa wijdverbreid en kent ze ook in Groot-Brittannië aanhangers. Als het partnerschap overgaat in wedijver en wedijver in vijandschap zullen zowel Europa als Amerika erbij verliezen. Sommige mensen mogen beweren dat Europa nooit kan wedijveren met Noord-Amerika en dat iedere poging daartoe tot mislukken gedoemd is. Ik ben het daarmee eens. Maar reeds het streven naar wedijver schaadt het partnerschap. De moeilijkheden waarvoor de wereld zich na de Koude Oorlog geplaatst ziet, zijn veelal het best te overwinnen door eendrachtig optreden van Europa en Amerika. Een voorbeeld hiervan is Kosovo. En zelfs in het verre Oost-Timor wordt het Australische hoofdcontingent gesteund door Britten en Amerikanen.

Wanneer Europa en Noord-Amerika zulke moeilijkheden ten eigen bate gaan aanwenden en ze tot brandpunten van wedijver en vijandschap maken, zou dat voor de rest van de wereld hoogst nadelig zijn. Stel dat het tot een treffen tussen Taiwan en China komt. Zouden Europa en Amerika dan aan dezelfde kant staan? En stel dat Europa en Amerika in een nieuw conflict op de Balkan tegenover elkaar zouden komen te staan en elk een der strijdende partijen zouden blijken te steunen.

Wil het Atlantisch partnerschap behouden blijven, dan moet men zich tot het uiterste inspannen opdat beleidsmakers – aan weerszijden – gespitst blijven op de gevaren. Dikwijls zal de transatlantische afweging – de noodzaak het partnerschap te bevorderen – niet de doorslaggevende kunnen zijn in de besluitvorming. Zonder die inspanningen zouden de Atlantische partners, in het ogenblik van hun grootste voorspoed, wel eens gedoemd kunnen zijn uit elkaar te groeien en tenslotte uiteen te gaan.

Michael Howard maakte van 1990 tot 1997 deel uit van de Britse regering, de laatste vier jaar als minister van Binnenlandse Zaken, en is thans Lagerhuislid.

© Project Syndicate