Claims: zaak van geld en lange adem

Na het verlies volgt de claim. Nederlandse beleggers moeten een lange adem hebben, maar de zorgplicht van aanbieders van financiële producten, waaronder effecten, wordt steeds meer aangescherpt.

Een belegger met een paar aandelen, desnoods met één enkel aandeel, dat is in de Verenigde Staten voldoende om in een zogeheten class action suit schade te claimen namens een nog te vormen groep gedupeerden. Twee jaar geleden kreeg softwarebedrijf Baan zo'n claim na een onverwacht kwartaalverlies.

De boze belegger kon profiteren van twee omstandigheden die claimbewuste Nederlandse investeerders bij Internet-dienstenbedrijf World Online moeten ontberen: de aandelen van Baan waren niet alleen op de Amsterdamse beurs genoteerd, maar ook op die van New York. En in de VS kun je gemakkelijk een gezamenlijke schadeprocedure beginnen – al is van de Baan-belegger niets meer vernomen.

Het verschil tussen de VS en Nederland laat zich het best illustreren door de ervaringen van beleggers van Philips nadat toenmalig Philips-president C. van der Klugt onjuiste informatie had verstrekt over de gang van zaken in het eerste kwartaal van 1990.

Kort daarop schikte Philips, die ook een Amerikaanse beursnotering heeft, een class action suit van Amerikaanse beleggers voor een bedrag van 9,25 miljoen dollar. Na negen jaar, enkele verloren rechtszaken en slepende onderhandelingen, schikte Philips de zaak ook in Nederland met een vereniging van gedupeerde aandeelhouders die door de Vereniging van Effectenbezitters (VEB) was georganiseerd. Opbrengst: 10 miljoen gulden.

Succesvolle schadeclaims tegen bedrijven wegens te laat gemelde winstdalingen of onjuiste informatie zijn zeldzaam, maar persoonlijke claims tegen bestuurders of tegen banken, accountants en/of bedrijven wegens manco's in het prospectus bij de uitgifte van effecten zijn helemaal schaars. Wie bestuurders van bedrijven financieel aansprakelijk wil stellen moet wanbeleid aantonen, dat is doorgaans een procedure die jaren kost en die hoofdzakelijk wordt toegepast door curatoren van failliete bedrijven.

Een schadeclaim wegens fouten in het prospectus zal voortborduren op een zaak van een groep beleggers tegen ABN Amro naar aanleiding van twee uitgiften van obligaties door het Duitse detailhandelsbedrijf Coop (in 1987 en 1988). De bank verloor alle rechtszaken, maar ging steeds in hoger beroep totdat zij, na negen jaar procederen, in 1998 een schikking overeenkwam met een groep beleggers.

De Coop-affaire heeft het kat-en-muis-spel verlevendigd van beleggers, banken en bedrijven die naar de beurs gaan. Zo willen beleggers die onlangs gedupeerd werden door aankopen van aandelen in de wilde beursgang van Via Networks schade verhalen op het bankensyndicaat dat de effecten plaatste. En beleggers van het failliete Daf willen accountant Ernst & Young aanspreken.

Banken die een bedrijf naar de beurs brengen proberen hun juridische aansprakelijkheid sinds Coop zoveel mogelijk te beperken, beleggers putten juist moed uit de omkering van de bewijslast die nu de norm is. Banken die worden aangesproken op hun verantwoordelijkheid moeten aannemelijk maken dat zij geen fouten maakten. Probleem blijft: wie financiert slepende prodedures?

De omkering van de bewijslast sluit aan bij de maatschappelijk trend om van aanbieders van financiële producten een steeds ruimere zorgplicht te eisen. Dat gaat van risicovolle effectenhandel voor klanten, dat de Rabobank na de beursturbulentie in het najaar van 1998 parten speelde (o.a. affaire in Doetinchem), tot en met een schikking die verzekeraar Aegon dit jaar trof na een massale claim van kopers van een spaarkasverzekering van dochter Spaarbeleg.

    • Menno Tamminga