Brevet van onvermogen

VOLGENS DE VVD moeten artsen illegale patiënten uit den vreemde bij de autoriteiten melden. Volgens minister Borst (Volksgezondheid) mogen ziekenhuizen tijdelijk personeel in het buitenland werven. Twee plannen die niets met elkaar te maken hebben? Nee. Ze illustreren hoe hoog de spanning tussen het (vrije) verkeer van kapitaal en arbeid is opgelopen. De wens van VVD-parlementariër Kamp om artsen hun beroepsgeheim te ontnemen als ze een illegaal in de spreekkamer krijgen, is de expressie van een politiek verlangen om de aantrekkelijkheid van Nederland in te dammen. Het voornemen van minister Borst verpleegkundigen van buiten Europa toe te laten is een uiting van economische realiteitszin. Naar verwachting zullen er over vier jaar bijna 40.000 vacatures zijn in de zorg. Er loopt weliswaar een veelvoud aan gediplomeerden rond. Maar die willen niet in de laag gewaardeerde zorg werken. Het idee van Kamp zal stranden, al is het maar omdat artsen een eed hebben afgelegd die ze zelf serieus nemen. Het beleid van Borst daarentegen lijkt onvermijdelijk. Het is een internationale trend, zoals de Duitse kanselier Schröder liet zien toen hij ervoor pleitte programmeurs uit India te halen om de informatie- en communicatietechnologie draaiende te houden. In Nederland is er vergelijkbare krapte op de arbeidsmarkt. De Europese Unie biedt geen soelaas. Een herhaling van de jaren vijftig en zestig – toen het `Hollandse wonder' in Zuid-Europa, Noord-Afrika en Klein-Azië moest werven – dient zich aan.

TOCH IS HET een brevet van onvermogen. De voorwaarde van Borst dat ziekenhuizen alleen voor een periode van maximaal twee jaar personeel van buiten mogen aantrekken en de instellingen bovendien voor elke Filippijnse gastzuster een Nederlandse verpleegkundige moeten opleiden, is daarvan het heimelijke bewijs. Het afgelopen decennium heeft met name het departement van Volksgezondheid zich traag aangepast aan de nieuwe tijd. De alarmkreten die de artsenorganisatie KNMG op gezette tijden slaakt – er is niet alleen te weinig paramedisch personeel, maar het aanbod van jonge dokters begint ook te wringen – zijn bijvoorbeeld zuinig beantwoord. Weliswaar zijn de deuren in de zorgsector via het `BIG-register', waarin alle gediplomeerden centraal worden opgenomen, aan de voorkant geliberaliseerd. Maar aan de achterdeur is de toelating tegelijkertijd verscherpt. Zonder de zegen van de Commissie Buitenlandse Gediplomeerden, waarin ambtenaren en beroepsgroepen samen waken over de `kwaliteit' van de gezondheidszorg, kan geen verpleegkundige, vroedvrouw of (tand)arts aan de slag. De commissie heeft die opdracht met zoveel verve uitgevoerd, dat haar voorzitter recent erkende dat deze taakopvatting ook contraproductief is geweest. Een speciaal scholingsinstituut voor reeds geïmmigreerde buitenlanders moet nu verlichting bieden.

Het werd tijd. Maar waarom moest het zo lang duren? De introverte organisatiestructuur, die de gezondheidszorg van oudsher heeft gekoesterd, is er niet alleen debet aan. Geld speelt ook een rol: (para)medisch personeel opleiden is duur. Bovendien concentreren politici zich liever op de gevolgen, de wachtlijsten die electoraal onverteerbaar zijn, dan op de oorzaken.

IN DE MEDISCHE wereld worden de bakens inmiddels verzet. Daar begint men de eigen verantwoordelijkheid onder ogen te zien. Borst volgt schoorvoetend, getuige de voorwaarden die de minister heeft gesteld. Het is echter een illusie te denken dat over twee jaar alles op orde is. Het water stroomt ook op de arbeidsmarkt van boven naar beneden. Maar dat neemt niet weg dat het beschamend is dat een hoog gekwalificeerde en welvarende natie als Nederland niet in staat is eigen burgers op te leiden voor cruciale functies.