Belgen

België was gisteren zeer aanwezig in het centrum van Amsterdam. Eerst bij de kranslegging door het Belgische koningspaar op de Dam, enkele uren later bij de bekendmaking van de zes nominaties voor de Libris Literatuur Prijs in de Nieuwe Kerk.

De tweede gebeurtenis had niets met de eerste te maken, behalve dat België ook daarin zijn aandeel had. De jury telde een Belg en bij de zes genomineerde auteurs zaten twee Belgen: Erwin Mortier en Peter Verhelst. Sinds de instelling van de prijs in 1987, vroeger de AKO Literatuurprijs geheten, hebben slechts twee Belgen hem gewonnen: Brigitte Raskin met Het koekoeksjong in 1989 en Hugo Claus met De Geruchten in 1997. Komt er dit jaar – de prijsuitreiking is op 17 mei – eindelijk een derde Belg bij?

Nee. Hoe ik dat weet? Instinct. Daarmee kun je een eind komen als het om literaire prijzen gaat. Volg het literaire circus een beetje – de recensies, de praatprogramma's, de reacties in de uitgeverswereld – en de favorieten dienen zich vanzelf aan. Er groeit een zekere bewonderende consensus rond een, twee boeken en daar zit meestal de winnaar bij. Dit jaar is de aandacht vooral op één boek gericht: Publieke werken van Thomas Roosenboom.

Rosenboom was, evenals Stephan Enter en Kees 't Hart, zelf aanwezig om zijn nominatie in ontvangst te nemen, voorzover je dat met een nominatie kunt doen. Dat ging als volgt. Juryvoorzitter Saskia Stuiveling (voorzitter Algemene Rekenkamer) noemde de naam van de betrokken schrijver in het juryrapport, waarna meteen de enige deur van de zaal openging en de betrokkene onder applaus binnentrad. Het applaus voor Rosenboom was luider dan voor de andere twee – dat was het eerste signaal. Vervolgens bleek ook het juryrapport voor Rosenboom het meest complimenteus met de kwalificatie `een briljant geschreven en diepgravende roman'. Voeg hier nog de lof bij van jurylid Nicolaas Matsier, die het boek onlangs in de Volkskrant `een meesterwerk' noemde, en we weten nog vóór 17 mei de uitkomst van het juryberaad.

Terug naar de Dam, want daar lag het werkelijke hoogtepunt van de dag. Tijdens de kranslegging stond ik achter een groepje Belgische jongeren, toevallig in Amsterdam. Enkele minuten voordat het Belgische vorstenpaar zich vertoonde, schreden Jozias van Aartsen en Louis Michel, de ministers van Buitenlandse Zaken van Nederland en België, als eersten in de richting van het monument. Michel is een kalend, buitengewoon dik mannetje dat zijn buik als een uitgezakte taartpunt voor zich uitduwt.

Halverwege hun deftige opmars brulde een van de Belgische jongeren over een afstand van zeker 75 meter: ,,Loe-wie! Loe-wie!'' En wat deed Loe-wie? Hij vertraagde zijn pas, draaide zich half om en zwaaide joviaal.

Het zette mij aan het denken. Zou Van Aartsen onder vergelijkbare omstandigheden in den vreemde hebben teruggezwaaid? En zou er wel iemand `Jozias' naar hem willen roepen? Verontrustende vragen.